Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als men de spierkracht van 108 jongelieden moest onderzoeken door hen vijf gewichten te laten optillen, en men had daarbij bijv. als regel aangenomen, dat het optillen van een gewicht van 75 Kilogram als voldoende zon worden aangemerkt, dan stel ik mij voor, dat men die jongelieden gewichten zou laten beproeven van bijv. 35, 50, 75, 90 en 100 K. Gr. Zoo zou m. i. ook bij de op te geven sommen eene opvolging van moeielijkheid moeten bestaan; er zou daaronder een enkel zeer gemakkelijk vraagstuk moeten voorkomen, evenals een enkel moeielijk. Maar zoo ging het niet. De gewichten variëerden niet tusschen 35 en 100, maar tusschen ongeveer 75 en 90 Kilogram.

En zoo was het bij de opgegeven vraagstukken mogelijk, dat candidaten, die wat zwak in het rekenen waren, er niets van terecht brachten.

De eerste som blijkt hun te moeielijk, met de tweede lukt het ook niet; nu beginnen zij, al zenuwachtig, naar eene gemakkelijke te zoeken, doch zij zoeken te vergeefs. Zoo kon het voorkomen, dat een aspirant eene 1 voor schriftelijk rekenen haalde, terwijl het mondelinge voldoende bleek; bij een ander candidaat stond zelfs tegenover eene 1 voor het schriftelijk i ekenen eene 8 voor het mondeling gedeelte. En als de Examinatoren bij het mondeling rekenen eene 8 toekenden, dan wilde dit nog al wat zeggen: het is maar 16 keeren op de 108 cijfers gebeurd, dat is ééns op de acht keer.

Alles te zamen genomen, wil het mij toeschijnen, dat bij de beoordeeling van de kennis van het rekenen de strengen wel wat strak zijn aangehaald,

Sluiten