Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel geen noodzakelijke regels mogen weggelaten worden. Verder moet m. i. bij liet onderwijs in een vreemde taal deze zooveel mogelijk gesproken worden. Ook in de lagere klassen is dit, geloof ik, dikwijls mogelijk en wenschelijk. Men zegt daar bijv. een zin eerst in 't Nederlandscb, vervolgens langzaam in de vreemde taal, en men verlangt, dat de leerlingen antwoorden in die taal, waarbij enkele woorden in 't Nederlandscb natuurlijk getolereerd moeten worden. Het groote bezwaar bij deze toevallige en bij de opzettelijke spreekoefeningen is, bij ons Middelbaar Onderwijs, de overbevolking der klassen. Elke leerling komt te weinig aan de beurt; er is geen sprake van, dat ieder gemiddeld vijf minuten in de week aan 't woord kan komen.

Zoolang dan ook bij onze Hoogere Burgerscholen afdeelingen zullen zijn van 25 leerlingen en meer,1) zoolang zal daar het onderwijs in de vreemde talen niet behoorlijk tot zijn recht komen.

Een collega, die van de methode Gouin een bijzondere studie heeft gemaakt, en wien ik mijne opvatting omtrent de m. i. ware methode bij het onderwijs in vreemde talen uiteenzette, beweerde, dat ik dichter bij de nieuwe methode stond dan ik zelf wel meende. Ik kom daarom tot dezelfde conclusie als de heer P. in de straks aangehaalde

') Aan de Afdeeling „Hoogere Burgerschool" van het Gymnasium „Willem III" is er eene van 33 leerlingen.

Dit behoort gelukkig tot het verledene.

Sluiten