Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werkzaamheid door de uitvoerende Macht allicht tot twee jaren plus zooveel maanden kon verlengd worden, wat niet de bedoeling wezen kan. Maar gesteld, een ondervvijzer(es) begint te werken bij het begin van 't schooljaar, laten we zeggen op 1 Juni 1898. Hij werkt tot 1 Mei 1900, als wanneer de groote vakantie begint en hij dus twee volle s<hooija.ven als onderwijzer of geëxamineerd kweekeling werkzaam geweest is. 't Examen voor de hoofdakte begint in 1900 bijv. op 10 Mei. Mag de bedoelde onderwijzer daaraan deelnemen? Neen, zegt het Departement. Er doet zich nl. op 't oogenblik een soortgelijk geval voor. In art. 35,5 wordt niet van schooljaren gesproken, zoodat vermoedelijk zal aangenomen zijn, dat het gewone, burgerlijke jaar bedoeld is. Wel volgt hieruit, dat zulk een kandidaat geen examen mag doen, doch wel tot het examen toegelaten zou worden, als dit drie weken later afgenomen werd, zonder dat hij toch gedurende dien tijd, en reeds tien dagen van te voren, een voet in een school had behoeven te zetten. Maar een dergelijke anomalie kan ook in de best geredigeerde wet voorkomen, want in wettelijke voorschriften moeten nu eenmaal vaak bepaalde grenzen worden aangegeven.

Verder volgt uit de gegeven interpretatie, dat bij de tegenwoordige regeling der examens, iemand, die in 1898 de onderwijzersakte verwerft, al licht in 1900 niet tot het examen voor de hoofdakte zal kunnen worden toegelaten. Is het eerste examen op achttienjarigen leeftijd afgelegd, dan is dit wellicht heel goed, doch voor iemand, die eerst

Sluiten