Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Mekkagangers.

In Mei 1875, terwijl ik met een fransche mailboot van Indië naar Europa reisde, genoot ik te Aden, met eenige heeren, van een avondwandeling in de woestijn. Ons gezelschap bestond uit negen leden: twee Franschen, vier Engelschen, een Rus, twee Hollanders. Wij werden gevolgd door javaansche en cliineesche bedienden.

Onze aandacht werd getrokken door een kleine karavaan, eenige afrikanen op en naast eenige kameelen, die langzaam en onhoorbaar voortging op de geele vlakte. Aller kleuren, aller lijnen en bogen, teekenden zich sierlijk op het donkere azuur van den oostelijken gezichteinder. Het was alsof ik, in de doodsche stilte die ons omgaf, hoorde getuigen van de tevredenheid dezer rustige reizigers, door natuur en fortuin zoo jammerlijk misdeeld.

Eensklaps, als door een tooverslag, waren alle leden

van de karavaan geknield op den grond. Zij hielden,

met de handen gevouwen voor het aangezicht, den

blik gevestigd op de zon, wier bloedroode schijf de

westerkim raakte. Bij herhaling bogen zij, steunende

5

Sluiten