Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik hob geantwoord, dat wij christenen zijn en geen offer brengen aan de goden en geesten."

„Goed, Elisabeth! en mocht Si Gear soms weer met zoo iets aankomen, zeg hem dan: mijn man, mijn kind en ik zijn gedoopt in den naam van den driemaal heiligen God : liever willen wij alle drie op één dag sterven, dan ook zooveel (hij toonde het voorste lid van zijn wijsvinger) offeren aan de goden en geesten, — Wilt ge dat doen?"

„Ja Johannes!"

Ik was tot in het binnenste mijner ziel geroerd over dat kinderlijk eenvoudig godsvertrouwen van deze jeugdige christenen.

Tot beschaming van Si Gear en allen, die hoopten, dat de geesten zich zouden wreken op deze afvalligen, toonde God, dat hij heerscht ook onder de heidenen; allen genazen.

Johannes en Si Taliop.

Op een zekeren morgen stond iemand aan den overkant der rivier Batang Toroe, aan welker oever wij woonden, die tachtig ellen breed en destijds zonder brug was, en riep: Si Tahi Maria, Si Tahi Maria! Johannes zeide tot mij : „Daar wordt mijn kindernaam geroepen." Daarop vroeg hij: „Wie zijt gij en wat wilt gij ?"

Het antwoord luidde: „Ik ben Si Tahop, je oom. Kom even hier, ik wil vergeving vragen voor het onrecht, dat ik je heb aangedaan."

Johannes en wij waren ontroerd. Hij riep: „Indien gij mij wilt spreken, kom dan tot mij."

Si Tahop had echter den moed niet, door de rivier te komen, vreezende, dat Johannes hem zou doen, wat hij hem vroeger gedaan had.

Sluiten