Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Aelc Saroella, 15 Juli 1896.

Heil en groeten.

Door de liefde en genade onzes Gods kunnen wij U dezen brie! zenden, om U onze droefheid mede te deelen. Toen wij U onzen vorigen brief zonden, waren wij nog te zamen met onzen vader. Nu echter niet meer, want onze God heeft hem van ons weggenomen, en in zijne nabijheid gehaald. Yader is niet meer in deze wereld, maar daar, waar hij tehuis behoort, verlost van alle ellende van dit leven. 18 Juni is hij des nachts om vier uur ontslapen; of hij bij onzen Heiland is, daar is geen twijfel aan. Hoe het zich toegedragen hoeft, deel ik u nu mede. 22 Mei was vader zeer ziek, ja nabij den dood, zooals reeds meermalen, maar vader had den Heer gedurig gevraagd, hem zoo lang hier te laten, tot ik tot mijne bestemming zou zijn gekomen, (getrouwd en schoolmeester) en de Heer heeft ook dat gebed verhoord. Toen verwekte de Heer andermaal de ziekte van 22 Mei, eerst sterke hoofdpijn, toen borstpijn, eindelijk bloedspuwing.

Des avonds voor zijn verscheiden riep vader ons allen tot zich, sprak tot ons mot klaar verstand, toonde ons den weg des levens aan, sprak inzonderheid over het vijfde gebod met zijne beloften en zeide deze gelijkenis: „Van groote waarde zijn de woorden der ouders voor de kinderen; het is er mede als met een halven gulden, die op zichzelf van geringe waarde is, doch steeds vermeerderd, tot een onberekenbare waarde aangroeit," (voor de gehoorzamen namelijk), liet ons toen allen nedorknielen, gaf een ieder onzer een zegen, zooals Jacob aan zijne zonen, vouwde toen zijne handen, en zeide: „Ik dank u, Heer mijn God, dat Gij mijn gebed verhoord, mijn wensch vervuld hebt; mijn zoon is tot zijne bestemming gekomen, het is geschied, en nu, haal mij,

Sluiten