Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeide hij tot allen, die daar waren, „zijt toch ijverig om hot Woord Gods to hooren, opdat gij klaar en duidelijk weet, wat het zegt: het eeuwige leven, dat ons hierboven wacht. Den vijfden April liet hij mij des avonds roepen en zeide: „Ik heb behoefte aan brood en wijn." Den volgenden morgen zond ik zeer vroeg den hulponderwijzer Ambrosius tot onzen zendeling Klijnstra en die bracht het gewenschte. Gerrit at een weinig van het brood en dronk een weinig wijn; ik verzocht hem, nog wat te nemen; toen zeide hij: „neen broeder! het is mij niet te doen om tot verzadiging to eten en to drinken, maar dit is het laatste, dat ik van u neem, als afscheid, zooals de Heere Jezus tot zijne discipelen zeide."

Daarop vroeg ik hem, „wat? verhuist gij dan nu van hier?" „Ja", zeide hij. „ik ga nu heen, om onzen God te ontmoeten en bij hom te zijn." „Hebt gij vrede bij het verlaten dezer aarde?" „Ja, met vreugde verlaat ik dit land der vreemdelingschap, om te gaan, waar mijne ziel te huis behoort, naar boven . . . Beveel mij nu in het gebed den Heere aan, want Hij komt om mijne ziel te halen". De Batta-zendeling ging voor in het gebed; ook Gerrit zeide amen; daarna gaf hij ons allen de hand en zeide: „nu ga ik henen tot onzen vader, welke bij onzen God is."

Tot zijne vrouw Clementina, die bitter weende, zeide hij: „zijt steeds waar en oprecht voor God, dan zal het je wel gaan! Houd mij nu niet op mot je weenen, opdat mijn weg gemakkelijk zij." Daarop leide hij zijne handen gevouwen op de borst, zag naar boven en zeide: „Yader Uw wil geschiede", en zoo ging hij heen, des middags te half twee, 18 April 1897. De schoolkinderen kwamen en zongen Gode lofzangen. Tegen den avond kwamen de oudsten met hunne vrouwen, zongen veel en spraken met elkander over Gods

Sluiten