Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten einde de missive 7 September 1899 van den heer C I Koch aan te vullen en te wijzigen, waar zulks noodig is' moet terug gegaan worden tot 1888, liet tijdstip van de eerste botsing tusschen den heer C. J. Koch en mij.

In 1888 werden mijn collega Halkema en ik door den heer C. J. Koch gelast de woeste gronden, bezuiden en bewesten Soember Kerto, voor een gedeelte af te bakenen, grefispalen te plaatsen en verdere voorbereidende maatregelen te treffen voor het aanleggen van twee nieuwe

koffie-ondernemingen. ^

Deze gronden waren door den heer L. J. Ivoch aangevraagd; er werden twee Naamlooze Vennootschappen van gevormd onder de namen „K. C. M. Soember Bokor,' K. C. M. Kalie Klepoe." .

Halkema en ik, als zijnde de eenige opzichters van den heer C. J. Koch, rekenden op de administratie van deze landen, „Soember Bokor ' en „Kali Klepoe .

Wat wij nooit gedacht hadden gebeurde iiu;^ twee w/tóvreemden werden aangezocht om de Administratie van bovengenoemde landen te voeren, niettegenstaande Halkema en ik gesolliciteerd hadden, en het ons niet aan bekwaamheid ontbrak, wat spoedig daarna bleek.

Hoe wij gestemd waren, toen de heer Koch ons op een dergelijke wijze passeerde, zal ieder duidelijk zijn.

Hierop besloten wij, elk voor zich, zoo spoedig mogelijk wat anders te zoeken. Dit gelukte Halkema ook spoedig, doordat hij de administratie kreeg van „Soember Doeren" op ƒ 400 traktement met jaarlijksche verhooging van ƒ 50 -j- 10 °/0 in de winst.

Deze betrekking had Halkema aangenomen, zonder dat de heer Koch hiervan iets afwist.

Voorziende dat deze boos zou worden, vroeg Halkema mij: „Zeg, ga je mee naar het kantoor; ik ga baas Koch „vertellen dat ik een administratie heb".

N.B. Ten einde het volgen van dit schrijven den lezer gemakkelijk te maken, is hierachter de missive C. J. Koch (d.d. 7 Sept. 1899) afgedrukt.

Sluiten