Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoodra, omstreeks 1911, de voltooiing van het groote werk begon te naderen, kwam de vraag aan de orde, hoe hoog de tollen zouden worden. Hierbij zou men nog haast weer in conflict met Engeland gekomen zijn. Een groot aantal Amerikanen, met de reeders van Nieuw-Engeland aan 't hoofd, wilden vrijstelling voor de Amerikaansche kustvaart, waaronder ze het geheele verkeer tusschen de Atlantische en de Pacifische havens begrepen. Ze wisten daarvoor natuurlijk allerlei „billijkheidsgronden" aan te voeren: „zij waren de belastingschuldigen, die toch al zooveel van de enorme kosten te dragen hadden; zij hadden evengoed recht op staatshulp als vroeger de groote spoorwegmaatschappijen, die nu de scheepvaart door 't kanaal tegenwerkten, enz."

Maar hun verlangen was niet anders dan een Middeleeuwsche vrijdom van tollen en zou alle vreemde scheepvaart door het Panama-kanaal zoo goed als onmogelijk gemaakt hebben. Het was ook tegen den geest en de letter van het Hay-Pauncefote-traktaat en Engeland protesteerde dus met kracht. President Taft wilde de kool en de geit sparen, zooals in zijn karakter lag; hij stelde voor: gelijke betaling, maar — restitutie aan de kustvaart. Het Congres echter toonde zich afkeerig van deze laffe en kinderachtige politiek en nam eenvoudig zonder omwegen de bevoorrechting der kustvaart aan.

Een brutale daad van willekeur, door geen Europeesch of Aziatisch despoot te verbeteren. De verklaring van een plechtig traktaat tot „een vodje papier". Reeds weerklonken in Europa smaadkreten tegen de Yankees, die steeds den mond vol hadden van vrijheid en recht en vrede en toch niet beter waren dan eenig ander. Nu zou het Panama-kanaal conflicten voortbrengen, zooals men ze bij het Suez-kanaal nooit gekend had ! Maar weldra bleek, dat het Amerikaansche volk geen despoot was, dat het een geweten had en dit toonen kon. Bij de verkiezing van 1912 werd Wilson met groote meerderheid tot president aangewezen; hij verklaarde zich onmiddellijk tegen de rooverspolitiek, die reeds door den minister van oorlog onder Taft als „slecht en onnoodig" was gebrandmerkt. En de nieuwe regeering, nu geheel

130

Sluiten