Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

u beter te regeeren dan vroeger; maar roept ons niet meer bij uwe heidensche feesten, want daar nemen wij geen deel meer aan, omdat wij gelooven, dat zulks de dood is, waarom wij hopen, dal gij allen met ons den God des hemels en der aarde zult leeren dienen.»

Zijn jongere broeder Ama ni Moeara zat voor hem en zeide woedend, op onbeleefden toon: «wij hebben gehoord, wat gij gezegd hebt. — Dat gij Christen zijt geworden moet gij weten, daar hebben wij niets over te zeggen ; maar één ding nemen wij je kwalijk, dat zullen we je nooit vergeven, namelijk, dat je de oelos ni tondi (het kleed der ziel), ons leven, hebt weggegeven. — Wanneer onze rijstoogst mislukt, dan zijt gij er de oorzaak van. Wanneer onze vijanden ons overwinnen, dan zijt gij er de oorzaak van. Wanneer onze beesten sterven, dan zijt gij er de oorzaak van. Wanneer ziekte en dood in onze familie komt, dan zijt gij er de oorzaak van.»

Het was vreeselijk dien woedenden heiden te zien, te meer daar hij door de pokken geschonden was, één oog had verloren, en zijne lange zwarte haren wild om het hoofd en voor zijn aangezicht hingen.

Toen hij zweeg, zeide Salomo vriendelijk en beleefd : « Anggi (jongere broeder) ! hebt gij er nog iets bij te voegen?') De anggi had, zeer onbeleefd, hem niet eens aangesproken met den naam akkang (oudere broeder). De aangesprokene zweeg. Salomo deed dezelfde vraag nog eens, maar kreeg nog geen antwoord. Toen zeide Salomo: «Broeders en Zusters, Ooms en Tantes, Neven en Nichten, Koningen en onderdanen! is er één in ons rijk, die ijveriger is geweest dan ik in het dienen der begoes (geesten) ? Het antwoord der schare was : «Neen, gij zijt daarin zeer ijverig geweest.» Hij vroeg verder: «Is er iemand, die meer offers heeft gebracht dan ik ?» Het antwoord was

Sluiten