Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weggesleept en in rivieren, zelfs in slooten geworpen worden. Dat alles zagen zij en zij gevoelden er zich wel bij.

Nadat Dja Gading omstreeks zes maanden bij ons was geweest, kwam hij eens met een zijner zoontjes tot mij, zette zich, zooals onze geëerde kleermakers zitten, nam zijn zoontje op den schoot en begon te zeggen : «Toean naing hoe soengkoen, naing hoe soengkoen,» d. i. Mijnheer ik wilde vragen... ik wilde vragen... en verder kwam hij niet. De kleine, meer begaafde jongen stootte zijn vader tegen de borst en zeide : «Zeg het dan, vader ! Zeg het dan !» Nu begon deze weder van voor af aan, maar kwam niet verder dan : lk wilde vragen... Eindelijk zeide hij tot den kleinen jongen : «Zeg jij het maar, vadertje ! je kunt het beter dan ik.» Daarop zeide het zoontje met duidelijke stem : «Mijnheer ! Vader wilde u vragen of u ons in het dooponderwijs wilt opnemen; want wij wenschen Christenen te worden.»

Mijn antwoord was: «Goed, Dja Gading ; ik wil u allen gaarne in het dooponderwijs opnemen ; maar of ik u doopen zal, weet ik nog niet. Het zal er van afhangen of gij Gods woord aanneemt als het licht voor uw voet en de lamp op uw pad.»

De geheele familie leerde ijverig en trouw, en kwam ook in het uitwendige vooruit.

Nadat het onderwijs ongeveer een jaar geduurd had, doopte ik hen. Dja Gading koos den naam Saul, en dat zoontje dien van Philippus. Van Saul kan ik alleen nog zeggen, dat hij niet lang meer geleefd heeft.

Philippus was een lief, beminnelijk ventje, die goed leerde op school, ijverig luisterde naar de verkondiging van Gods woord en zelfs dat woord bracht in zijne omgeving. Hij was in alles een voorbeeld. Des morgens om 6 uur had hij zich reeds in de rivier gebaad en ging dan van

Sluiten