Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaat het volkje zijn ondergang te gemoet. Maar er schuilt een groote veerkracht in die eenvoudige bergbewoners, die, wel is waar van onze westersche cultuur weinig af weten, maar daarom in 't allerminst niet van een edele beschaving ontbloot zijn, die zoowel in hun zeden als in hun literatuur uitkomt.

Hun Christelijk geloof, hun Bijbel, dat is hun grootste schat, dien zij voor geen aardschen welstand veil hebben. God en Gods woord, dat is het onderwerp van menig gesprek, als de mannen in de lange winteravonden samen zitten te praten, daarover onderhouden zich de vrouwen bij haar huiselijke bezigheden. De Bijbel is hun richtsnoer bij de opvoeding der kinderen en de innigheid van hun geloof spreekt uit de liefde, waarmede ze elkanders lasten dragen. En de kleinen nemen het over van de ouders. Ziet gij daar een troepje zich levendig onderhouden? Een ventje met krullebol en schitterende zwarte oogen kent een Psalm van buiten; hij heeft hem van moeder geleerd, die hem zoo dikwijls zingt op de droef melodieuze wijze aan haar landgenooten eigen. Nu staat hij daar tusschen zijn makkertjes en zegt hem zoo lang vooi totdat zij hem allen kennen; 't gaat niet gemakkelijk, want het dialect, dat zij gewoon zijn te spreken, wijkt door verbastering nogal af van de taal der Peschito, hun Bijbel! Wat hij hun leert? Het klinkt als een klacht van zijn volk: O, God, wij hebben het met onze ooren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld. Gij hebt een werk gewrocht in hunne dagen. Gij hebt de heidenen verdreven maar henlieden geplant... Maar nu hebt Gij ons verstooten en te schande gemaakt, onze haters berooven ons voor zich. Gij geeft ons over als schapen ter spijze. Gij verkoopt Uw volk om geene waardij. Dit alles is ons overkomen, nochthans hebben wij U niet vergeten noch valschelijk gehan-

Sluiten