Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn terugreis naar Koerdistan (1905—06) maakte hij kennis met den predikant Wendt in Westfalen, die toen reeds sedert eenige maanden een nauwkeurig onderzoek had ingesteld naar de leer, het leven en het lijden der Nestorianen. In dien tijd kwam deze in aanraking met meer dan 20 Syriërs, waarvan hij sommigen maanden lang zelf herbergde. Hoe meer hij op de hoogte kwam van 't lijden van dit edel christenvolkje des te meer beschouwde hij het als zijn plicht hier de behulpzame hand te bieden.

Maar om het volk te dienen en een grondig en blijvend werk te verrichten was het noodig een vasten band te leggen tusschen de noodlijdenden en degenen, die bereid waren te helpen. De eerste stap hiertoe was de oprichting van een vereeniging: „Verein für Liebesarbeit an der Nestorianischen Kirche" die, ondersteund door Gen. Sup. Braum, Berlijn, Dr. F van Bodelschwing, Bethel-Bielefeld en de Weduwe van Graaf Waldersee, Hannover, Simon de Kelaita als eersten arbeider in zijn vaderland aanstelde. Maar nog hechter werd de band tusschen de Duitsche Evangelische kerk en die van 't Oosten door 't huwelijk in 1906 van de Kelaita met Elizabeth, de oudste dochter van dominee Wendt, met wie hij in den herfst van 1906 naar Koerdistan terug keerde.

De eerste twee jaren gingen met groote moeilijkheden gepaard; niet alleen dat Elizabeth de Kelaita moest wennen aan de Oostersche levenswijze en de Syrische taal leeren spreken; — oneindig moeilijker was het zoo veel ellende te zien, die haar 't hart verscheurde, terwijl zij er bijna machteloos tegenover stond. Op een ochtend bijv. werd een jongetje uit de familie der Kelaita's by haar binnen gedragen; men had hem bij 't huis vinden liggen en wist niet wat hem scheelde; iemand, die 't kind kende, ging

Sluiten