Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De dageraad.

Onder de meest zorgvuldige verpleging van grootmoeder genas de kleine Johannes, en eenmaal op weg van beterschap ging 't snel vooruit. Hij begon weer op zijn beentjes te staan; hij keek rond naar al dat nieuws; maar hij lachte nooit, hij sprak geen woord en luisterde met groote open oogen, waarin niets dan verbazing te lezen stond! En thuis had hij toch zoo vroolijk gebabbeld zoo levendig deel genomen aan al hetgeen om hem heen gebeurde. Van waar deze verandering? Het was de vreemde taal: hij kon de menschen om hem heen niet verstaan, en hoe meer moeite zij deden om een glimlach uit te lokken des te erger werd het. Maar eens hoorde hij zijn vader een van zijn oude Syrische liederen zingen, daar leefde 't kind in eens op. Eindelijk een bekende klank. En van dien dag af was het zijn grootste genot bij vader te liggen, die zelf nog rust moest houden, en te luisteren naar de welbekende melodiƫn.

Hoewel de lange reis schadelijk was geweest voor de genezing van zijn been, betrekkelijk spoedig kon de Kelaita het weer gebruiken. Een keer zoo verdeed hij alles wat hij kon om het werk in Koerdistan begonnen, te bevorderen. Hij reisde o. a. naar Konstantinopel, waar hij bij de regeering de belangen van zijn volk bepleitte. Dit was de eerste keer dat aan een Nestoriaan gelegenheid gegeven werd, met de Turksche autoriteiten te onderhandelen.

Toen hij na twee jaar met vrouw en kinderen zijn schoonouders verliet, ging ook een jongere zuster van Elizabeth mee; als woonplaats kozen zij Mar-Bischu, waar in

Sluiten