Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijze werd hem het leven moeielijk gemaakt. Zoo kwam op zekeren dag één der voornaamste hoofden van de Iraouo Hoena (d. i. de wilden; zoo noemen zij zich zeiven) tot hem. Hij was vergezeld van een twintigtal vrienden, allen echte wilden, en van top tot teen gewapend. Men kon nu juist niet zeggen, dat hun houding erg vriendelijk was. Integendeel, zij zagen er zoo dreigend uit, dat men wel bang had moeten worden. Maar Krumm was voor geen klein gerucht vervaard en trad moedig naar buiten. Op zijn vraag, wat zij wilden, hoorde hij, dat de zoon van het hoofd plotseling ziek was geworden. Naar het oordeel dezer heeren was de jonge man vergiftigd, en dat wel door . . . het drinken van water, dat door het paard van den zendeling zou verontreinigd zijn. Ergo — de zendeling was de schuld van de ziekte van den jongen. Wat ze nu wilden, was echter niet goed te weten te komen, want de geheele bende gedroeg zich zoo woest en onbeschaamd, dat er met hen niet te spreken of te onderhandelen viel. Kkumm noodigde daarom de vijf voornaamste mannen binnen om met hen te kunnen spreken. Dit geschiedde en het resultaat van vier a vijf uur over en weer praten was dit, dat hij begreep, dat de jongen een koortsaanval moest hebben. Hij wilde dus chinine meegeven. Maar toen het hoofd de medicijnkast zag, wilde hij voor alle ziekten en kwalen een middel hebben en toen hij de verschillende gereedschappen aan den muur, als zagen, hamers, enz. in het oog kreeg, wilde hij ook zonder deze niet heengaan. Het begon nu echter Krumm te vervelen en hij bracht den brutalen heeren kort en krachtig aan het verstand, dat ze nu maar spoedig zijn huis moesten verlaten. 't Was den boosdoeners niet meegevallen. Had de zendeling maar een weinig vrees getoond, dan was hij, en zyn volkje met hem, verloren geweest; dan waren ze

Sluiten