Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sonen ontvingen den doop, terwijl er nog bijna een hondertal onderwijs bleef ontvangen.

Dat was een aandoenlijke ure voor den jongen zendeling, een ure van blijdschap en van dankbaarheid tevens, die hem ook vervulde met hoop voor de toekomst. En wel mocht hij de toekomst hoopvol tegen gaan. Nog grooter dingen wachtten hem.

DE IRAONO HOENA.

Het was in het najaar van 1899, toen Keumm op een goeden dag een bezoek ontving, waarover hij ten zeerste verbaasd was. Het was één der meest gevreesde mannen uit het Zuiden, die hem wenschte te spreken. Zijn naam was Solago, onder de menschen van de Westkust maar al te bekend. Wanneer men de namen van Siwahoemola, Fadoli en Solago slechts noemde, voer den lieden van Lahoesa reeds een rilling door de leden. Dit edel drietal voerde alle roof- en moordtochten aan. Meer dan dertig jaren geleden was de naam van den eerstgenoemde reeds gevreesd. Met den vader van de beide laatsten roofde hij toen reeds overal slaven, die dan aan de Athejers veikocht werden. De regeering had er echter een einde aan gemaakt; de slavenhandel was verboden en . . . deze mannen hadden een ander beroep gekozen. Was er een hoofd, die in onmin leefde met een ander dorp of stam, dan ging hij naar genoemde drie mannen. Aan hen gaf hij zijn zaak over. Zij moordden dan het dorp uit, en kregen nog een belooning voor hun moeite. Dat was hun handwerk, moorden en plunderen. Daarmede waren ze rijk geworden. Maar daarom waren ze dan ook zoo gevreesd. En een van dit trio stond nu aan de deur van

Sluiten