Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar liet weiden, zag men witte velden. Overal ontwaakte nieuw leven uit den dooden grond. Het was, of een lenteadem ging door deze streek. Waar men ook kwam, men vond er belangstelling voor de nieuwe leer. Yan alle kanten vroeg men om onderwijs, d. w. z. om hulp en leiding. Krumm had handen te kort om de oogst binnen te halen.

Het was in dezen tijd ongeveer, dat Krumm schreef: „Ik zou bepaald twee of drie flinke onderwijzers of evangelisten moeten hebben, die de lieden konden nagaan en verzorgen, dan zouden wij uit de Iraono Hoena nog een groote schare voor het Christendom gewinnen. De lieden zijn het heidendom moe en verlangen om over te gaan, maar de duivel heeft veel macht." En dan weer: „Ik zou in dit jaar een groot aantal kunnen doopen, indien ik zeker wist, dat zij verder onderwezen konden worden."

Gelukkig ontving hij hulp van den jongen zendeling Hippenstiel, die met ijver de taalstudie begon en zich zoo gauw mogelijk in de verhoudingen inwerkte. Met dezen voorbereidenden arbeid ging natuurlijk de noodige tijd heen. Maar het was toch hulp. Alleen ... ook het arbeidsveld werd steeds grooter. En wat waren ten slotte twee zendelingen onder dit verspreid wonende volk, dat men bij gebrek aan goede wegen haast niet bereiken kon! Zou men hier den arbeid goed aanpakken, dan hadden nog twee andere mannen werk in overvloed kunnen vinden.

En toen . . . juist in dien tijd, toen de behoefte aan arbeiders zoo zeer gevoeld werd, kwam God zelf . . . om de kleine arbeidersschare nog kleiner te maken.

Gods wegen zijn niet onze wegen. Indien wij het niet kenden, dat woord van onzen God: „Gelijk de hemelen hooger zijn dan de aarde, alzoo zijn Mijne wegen hooger dan uwe wegen, en Mijne gedachten dan ulieder gedachten", hoe menigmaal zouden we vertwijfelen.

Sluiten