Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den twaalfden Juni 1902 werd Krumm een tweede zoontje geboren. Herhaalde koortsaanvallen hadden de moeder reeds lang zeer verzwakt. Deze aanvallen herhaalden zich nu. Het ging langzaam achteruit en den 27den Juli ging zij heen. Als een gebroken man stond Krumm aan het doodsbed van zijn echtgenoote.

De belangstelling bij de heidenen was zeldzaam groot. Niemand had kunnen denken, dat er zoo veel liefde en zoo veel medelijden konden wonen in die nog kort geleden zoo verharde harten. Maar de eenzame man werd er niet door opgebeurd. Hij verloor in zijn teeder beminde vrouw ook zoo ontzettend veel.

Als een loopend vuur verbreidde zich de tijding, dat de Gawe (grootmoeder) dood was. Nog aan den avond van denzelfden dag kwamen eenige lieden van Lolowaoe naar Lahoesa. Onder hen was ook Siwahoemola, en de man, die vroeger op de hardvochtigste wijze een massa menschen had gedood, stond nu weenend bij Krumm en sprak : „Toen ik hoorde, dat de Gawe van ons weggegaan was, toen was het mij, alsof iemand mij de keel dicht snoerde. Zij heeft ons zoo lief gehad." „Zij heeft ons zoo lief gehad. Wie eens de Gawe gezien had, moest telkens weer terugkomen", zoo getuigden anderen. En aan het graf zeiS0LAG0 het zoo naar waarheid: „De Gawe, ja, de lieve Gawe was het, die ons, Iraono Hoena, getrokken heeft tot de leer van God."

De invloed, die van de overledene was uitgegaan, was dan ook zeldzaam geweest. Krumm had een krachtige hulp aan haar gehad. Zij wist hem altijd weer te troosten, wanneer hij gedrukt terneder zat. Ja, wij zouden zeggen, ze was voor hem onmisbaar geweest. Zelf schrijft hij: „Wat is zij niet voor mij geweest! Wanneer ik moedeloos begon te worden en klaagde over de weinige vruchten,

Sluiten