Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het gevolg, doch hoewel de Indische Begeering, onder den indruk daarvan, geneigd is tot het doen van consessies, weet Baud zijne denkbeelden opnieuw te doen zegevieren en blijft het beginsel van eene verplichte opleiding in Nederland voor de ambtenaren bij het Binnenlandsch Bestuur onaangetast. De voorstanders van de loslating van dit beginsel (waaronder voornamelijk de predikant, later volksvertegenwoordiger Baron van Höevell, de ziel van de Balaviasche Meibeweging van 1848) doen zich opnieuw hooren bij de behandeling van het Regeeringsreglement van 1854, doch het is eerst na het overlijden van Baud (1859) en na het op den voorgrond komen, ook op koloniaal gebied, van de nieuwere beginselen, dat aan den aandrang tot loslating van het beginsel eener verplichte opleiding in Nederland ten slotte geen weerstand meer geboden kan wordeu. De nieuwe Wel op bet Middelbaar Onderwijs noopt tot opheffing van de Delftsche Academie. In het onderwijs in de Indische vakken moet dus op andere wijze worden voorzien, terwijl artikel 49 van hel Regeeringsreglement noodzaakt lot het maken van verordeningen op de benoembaarheid enz. der Oost-Indische ambtenaren. Met de regelingen ter voorziening in een en ander getroffen door de Ministers Thorbecke en Fransen van de Putte breekt een nieuw tijdvak aan (1864).

In het Derde Tijdvak loopt de strijd niet meer over de vraag waar de a. s. OostIndische ambtenaren opgeleid zullen worden, maar wat zij moeien weten. Men kan zich voor het z. g. groot-ambtenaarsexamen bekwamen waar men wil en men kan het afleggen zoowel in Indië als in Nederland; dit beginsel blijft althans in de eerste jaren van dit tijdvak onaangevochten, maar groot verschil van meening bestaat over de vraag in welke vakken de a. s. ambtenaar proeven van bekwaamheid zal moeten afleggen, welk programma moet worden gevolgd voor de vorming van ambtenaren die voldoende berekend zijn voor de zware taak die hen wacht. Het verschil van meening loopt vooral over de vragen: of van de bureauambtenaren een afzonderlijk examen moet worden geëischt, of al dan niet rechtskennis moet worden gevorderd van de ambtenaren Binnenlandsch Bestuur en hoever men behoort te gaan met de eischen van taalstudie.

Verzwaring van de examen-eischen en uitbreiding van de studie is van een en ander het gevolg. Gelegenheid om onderwijs te ontvangen in de Indologische wetenschappen wordt van Rijkswege gegeven, eerst aan eene speciale instelling te Leiden, daarna aan de Rijksacademie aldaar, alsmede aan de afdeeling B van het Gymnasium Willem 111 te Batavia; van gemeentewege eerst te Delft en te Leiden, daarna alleen te Delft. Het denkbeeld om de Oost-Indische ambtenaren te doen opleiden aan een daarvoor bestemde Rijksinstelling wordt, na langdurige overweging, verworpen.

In de laatste jaren van dit tijdvak openbaart zich opnieuw een aandrang om terug te keeren tot het stelsel van verplichte opleiding in Nederland en om, in verband daarmede, over te gaan tot opheffing van afdeeling B van het Gymnasium Willem 111, doch opvolgende Ministers verklaren zich ongenegen daartoe mede te werken.

Het is in dit stadium dat door den Minister Cremer eene commissie is ingesteld om hem ter zake van voorlichting te dienen en dat, op voorstel van den Raad van NederlandschIndië, besloten is tot het doen samenstellen van de navolgende Nota.

5 Maart 1900.

Sluiten