Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE TIJDVAK. 1814-1843.

HOOFDSTUK I.

DE BENOEMBAARHEID VOOR DEN INDISCHEN DIENST VAN 1814-1843.

Toestand voor 1825. — Eischen van benoembaarheid voor den Indischen dienst, gesteld in 1825. — Instelling van het radicaal. — Ambten waarvoor het radicaal niet geëischt werd. — Groot aantal aanvragen om het radicaal en maatregelen in verband daarmede genomen in Indië en in Nederland. — Regelen in acht te nemen bij voordrachten voor het radicaal. — Advies van den Staatsraad i. b. d. J. C. Baud. — Antwoord van den Gouverneur-Generaal de Eerens. — Bijzondere eischen gesteld aan de ambtenaren bij het Binnenlandsch Bestuur: Europeesche opvoeding, taalkennis, omgang met Inlandsche hoofden. — Examen af te leggen voor de toelating tot het Binnenlandsch Bestuur. — Gelegenheid om zich daarvoor te bekwamen eerst in Indië, later bij de oprichting van de Koninklijke academie te Delft, in Nederland.

Tot in het begin van de 19de eeuw werden aan hen die zich aan den Indischen administratieven dienst wenschten te verbinden, geen bepaalde eischen gesteld. De ambtenaren werden benoemd, hetzij in Nederland door den Koning en dan op kosten van de Indische kas uitgezonden, hetzij in Indië door den Gouverneur-Generaal die daarbij aan geen vaste regels gebonden was.

De eerste regelen in Holland nopens deze aangelegenheid vastgesteld, zijn de voorwaarden van uitzending van Indische ambtenaren, gearresteerd bij besluit van den Soevereinen Vorst van 13 November 1814 n*. 491. De ambtenaren werden hierbij verdeeld in vijf klassen. In de eerste klasse konden worden opgenomen «personen die door geboorte of «verkregen rang, door het bekleeden van aanzienlijke posten ■in dienst van den lande of door bekende talenten eene ■billijke aanspraak mogen maken om in posten van den «eersten rang te worden geplaatst".

De tweede klasse bevatte personen die «door reeds bekleede «ambten of gepresteerde publieke dienst, de presumptie voor «zich hebben om met vrucht tot posten van deze klasse te «worden geëmploijeerd".

De derde klasse was opengesteld voor «dezulken van wier «talenten en reeds verkregen ondervinding verondersteld «mag worden dat zij dadelijk in posten van dezen rang «kunnen worden geplaatst".

Tot de vierde klasse behoorden «alle personen of jongelieden «van genoegzame talenten maar nog geen ondervinding «hebbende van publieke administratieve dienst doch die «beloofden om onder een bekwamen voorganger spoedig tot «ambten eener hoogere klasse te kunnen worden opgeleid".

1

Sluiten