Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Regelen in acht genomen bij benoeming van Oost-Indische ambtenaren in dit tijdvak.

Regelen in acht te nemen bij het toekennen van het radicaal.

Groot aantal aanvragen om het radicaal.

Advies van den Staatsraad J. C. Baud.

De algemeene gedragslijn met betrekking tot de opleiding en aanstelling der Indische ambtenaren, in dit tijdvak door de Regeering gevolgd bestond derhalve hierin:

dat voor de lagere betrekkingen geen bepaald omschreven kundigheden werden vereischt,

dat voor de hoogere betrekkingen het z. g. radicaal van OostIndisch ambtenaar werd geëischt, welk radicaal kon toegekend worden aan hen die met vrucht het lager, middelbaar of hooger onderwijs gevolgd hadden en

dat personen met «buitengewone verdiensten" ook zonder aan laatstbedoelde eischen voldaan te hebben, in het bezit van het radicaal konden worden gesteld.

Elk jaar deed de Indische Regeering een voordracht aan den Minister van Koloniën van personen die in aanmerking kwamen om met het radicaal begiftigd te worden en daar, in verband met het voorafgaande, het bezit van slechts zeer elementaire kundigheden voldoende was om daarvoor in aanmerking te komen, is het verklaarbaar dat jaarlijks een zeer groot aantal personen naar het bezit van het radicaal dongen.

Al spoedig bleek hierdoor de wenschelijkheid om vaste regelen te stellen welke bij het doen van voordrachten voor het radicaal gevolgd moesten worden. Blijkens eene missive van den ls"n adjunct-Secretaris van het Gouvernement van 25 Juni 1838 n°. 461 waren die regelen de volgende:

a. dat degenen die alhier in- of beneden den rang van commies dienen tot het radicaal kunnen worden voorgedragen wanneer zij zich bij het Gouvernement verdienstelijk hebbeu gemaakt (artikel 11 van Zr. Ms. besluit van 4 Maart 1825 n°. 119);

b. dat verzoeken van den onderwerpelijken aard alleen dan behooren te worden begunstigd wanneer zulks ter bevordering van 'slands belangen noodzakelijk kan worden geacht (missive Departement Koloniën 19 Januari 1834 n°. 5/202);

r. dat niet dan in zeer enkele gevallen worde overgegaan om eene* vreemdeling ter bekoming van het radicaal voor te dragen (missive Departement Koloniën 21 Maart 1834 n°. 101) en nimmer dan wanneer het belang van den lande zulks schijnt te vorderen, behoorende personeele consideratiën hier geheel uitgesloten te blijven; d. dat in het algemeen het radicaal van ambtenaar niet voor personen die reeds hier zijn, zal worden aangevraagd dan wanneer die personen, hetzij door bewezen diensten, hetzij door hunne maatschappelijke positie gekomen zijn op het standpunt waarop het gemis van dat radicaal, een hinderpaal zou worden tegen de bevordering waarop zij weldra aanspraak hebben. Intusschen was ook in Nederland het groot aantal aanvragen om het radicaal door personen in Indië woonachtig ter sprake gekomen en daarbij de vrees uitgesproken dat, op de ingeslagen weg voortgaande, ten slotte geen gelegenheid meer zou zijn om van uit Nederland personen, bestemd voor den Indischen dienst, uit te zenden.

De Staatsraad i. b. d. J. G. Baud wiens advies hieromtrent gevraagd was wees in een uitvoerig rapport (') op de bedoeling van de bepalingen van 1825, welke in hoofdzaak beoogden het patronage bij eerste benoeming van Indische ambtenaren te doen berusten bij het Opperbestuur in Nederland. Deze bedoelingen konden niet tot hun recht komen bij veelvuldige toekenning van het radicaal op voordracht uit Indië

(') Van 2 Mei 1838 n\ 268, ia besluit 13 Juli 1839 n°. 1.

2

Sluiten