Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gestrengere maatregelen te willen nemen ten aanzien van de bevordering van taalkennis bij de ambtenaren Binnenlandsch Bestuur. Mitsdien werden bij de Resolutie van 4 April 1826 n°. 16 alle door den Gouverneur Generaal aangestelde civiele ambtenaren en militairen met civiele posten bekleed, gelast zich een exemplaar van de spraakkunst en het woordenboek van Mabsden aan te schaffen (•), terwijl in 1827 (*) nogmaals werd voorgeschreven:

Bevordering afhankelijk gesteld van kennis van het Javaansch. dat de controleurs der landelijke inkomsten verplicht waren

zich de grondige kennis der Maleische en z. v. m. ook der Javaansche taal eigen te maken en zich te bekwamen in het spreken en schrijven dier talen;

dat niemand tot een hoogere klasse zou worden bevorderd dan op een bewijs dat de kandidaat zich behoorlijk op de Maleische en ook eenigszins op de Javaansche taal had toegelegd en in de kennis van eerstgenoemde taal was gevorderd en

dat hetzelfde gold bij bevordering van controleur, tot assistent-resident of secretaris.

Inmiddels was de heer J. F. G. Gbrickb door het Nederlandsch Bijbelgenootschap naar Indië gezonden met de opdracht om den Bijbel in 't Javaansch te vertalen en tevens lessen te geven in het Javaansch aan Gouvernements ambtenaren en anderen die daarvan gebruik wenschten te maken.

Voorstellen van den zendeling Gericke. Spoedig na zijn aankomst wees hij op de gebrekkige

kennis der landstalen onder de Europeanen in Indië . en op de noodzakelijkheid om daarin verbetering aan te / brengen (3) en stelde voor een Instituut op te richten waar onderwijs werd gegeven in de talen en litteratuur van Java. De élèves voor het civiel kostten volgens hem J veel geld doch brachten het Gouvernement weinig voordeel, daar zij, aan zich zeiven overgelaten, deden wat zij verkozen en de residenten geen controle op hen konden uitoefenen.

In beginsel besloten tot oprichting van een taai-Instituut. De plannen van den Heer Gericke, gesteund door het lid

in den Baad van Nederlandsch-Indië Mr. Merküs en den commissaris aan de Hoven te Djocja en Solo J. J. van Sbvenhoven (4) leidden ten slotte tot de Besolutie van 27 Februari 1832 n°. 9, waarbij in aanmerking genomen werd •dat het opleiden van jonge ambtenaren tot de kennis der Javaansche taal in het belang van den dienst hier te lande als hoogst nuttig moet worden beschouwd" en bepaald

(') Zie voorts vah Deventer Landelijk stelsel II: 43.

(') Besluit 22 November 1827 n\ 38 (Staatsblad n°. 109).

(*) Nota omtrent de daarstelling van een Instituut voor de Maleische en Javaansche talen en litteratuur van J. F. G. Gericke, in Resolutie 27 Februari 1832 n°. 9. tiy schreef daarin o. a. het volgende:

• Hoe kan eene natie wel geregeerd worden wier taal en wetten men niet kent? Het regeeringsstetm van eene in beschaving vergevorderde natie van Europa toepasselijk te willen maken op een voBi, dat eerst begint zich te ontwikkelen of uit den staat der natuur te ontheffen, zoude even ondoelmatig en onuitvoerbaar zijn, als wanneer men van eenen kleinen knaap wilde vergen, om de lasten van eenen man te dragen. Hetgeen voor den Europeaan billijk is, strijdt dikwijls tegen de gewoonte van den Inlander van Java, en wat de eerste soms voor eene beuzeling beschouwt, wordt door den laatsten voor eene zaak van het grootste gewigt gehouden. Hiervan getuigen zoovele bepalingen in de Javaansche wetboeken; de Soerja-alem, de Nowolo-Pradoto-Dhalem, de HangerHangeran of Hanger-Haging, de Hangerpradhoto enz. Doch welke Europeaan is met den inhoud dezer wetboeken bekend? of wat nog meer wil zeggen: welke Europeaan kent dezelve slechts bij naam?"

(*) Deze verklaarde dat de noodzakelijkheid van taalkennis bij de ambtenaren o. a. hieruit gebleken was >dat die enkele ambtenaren ■ welke in staat zijn het Javaansch en Soendaasch te kunnen spreken en •schrijven, altoos de nuttigste waren en bij den Javaan den meesten •invloed hadden".

4

Sluiten