Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«832. Oprichting van het Instituut te Soerakarta.

Reglement van het Instituut.

Studie van het Javaansch hoofdzaak.

werd dat in de residentie Soeracarta een Instituut voor de Javaansche taal onder directie van den zendeling Gebicke zou worden opgericht. Aanvankelijk was de bedoeling het Instituut op te richten op het land Wates (nabij Ampel) doch nader overleg deed besluiten het te vestigen te Solo waar de oude adats en de echte hofzeden en gebruiken nog waren blijven bestaan en waar de élèves zouden kunnen profiteeren van het oordeel en de veeljarige ondervinding van den Resident Mac Gillavry.

Ter bevordering van hun landbouwkennis zouden de élèves minstens gedurende twee maanden van elk jaar op reis gezonden moeten worden in naburige residenties en daarbij aanteekening moeten houden van het opgemerkte. Eindelijk verzocht de Heer Gericke die, voor zich zelf geenerlei belooning verlangde daar hij door het Bijbelgenootschap voldoende betaald werd, om eenige door dit Genootschap uit te zenden jongelièden op het Instituut toe te laten en hen alle voorrechten te verzekeren welke door de andere élèves genoten zouden worden.

Overeenkomstig deze voorstellen werd beschikt bij resolutie van 30 Maart 1832 n°. 27, waarbij bepaald werd dat het Instituut zou opgericht worden te Soerakarta, de Resident van Soerakarta aangewezen werd als curator van het Instituut, het noodige bepaald werd omtrent de toelating van door het Bijbelgenootschap uit te zenden jongelieden en de Heer Gebicke vergund werd om, zoover zulks zonder vermeerdering van kosten mogelijk was, aan de élèves onderwijs te doen geven »in zoodanige andere vakken van onderwijs als noodzakelijk kunnen worden geacht om hen tot bekwame ambtenaren voor den dienst hier te lande te vormen" waarbij echter in annmerking genomen moest worden dat de studie van het Javaansch hoofdzaak moest blijven.

Het eerste Reglement voor het Instituut werd vastgesteld bij de resolutie van 26 Mei 1832 n°. 1. Daarbij werd verklaard dat het doel van het Instituut was verkrijging van grondige kennis van het Javaansch en geschiktheid tot omgang met Inlandsche grooten en mindere Javanen. Na volbrachte studiën zouden de élèves door den Gouverneur-Generaal geplaatst worden in voor hen geschikte betrekkingen.

Voorloopig zouden niet meer aangenomen worden dan zes jongelieden in Nederland opgevoed, vier jongelieden in Indië geboren, benevens een nader vast te stellen aantal jongelieden uit te zenden door het Bijbelgenootschap. De cursus zou loopen over twee jaar, waarin voornamelijk de Javaansche taal beoefend zou worden alsmede de Javaansche rechtspraak, rangen en standen, tijdrekening, feesten en plechtigheden; de leerlingen van bijzonderen aanleg zouden bovendien beoefenen de Javaansche geschiedenis, mythologie, godsdienst, grondbezit enz. Zij die geen aanleg bleken te bezitten voor het aanleeren van de Javaansche taal zouden voor ontslag voorgedragen worden.

Rovendien zou «getracht worden aan de Gouvernements élèves de gelegenheid te verschaffen om hen onderricht te doen geven in zoodanige andere vakken als noodig geoordeeld kunnen worden om hen te bekwamen voor den dienst in Indië".

Hen zou gelegenheid worden gegeven om de Inlandsche ceremoniën en feesten aan het Hof bij te wonen. De Gouvernements élèves kregen een toelage van ƒ 50.— 'smaands, waarvoor zij moesten voorzien in eigen bediening, bewassching en kleeding. Eens in 'tjaar zou een openbaar examen gehouden worden en door den Directeur verslag worden uitgebracht aan den Curator, die het vergezeld van zijn

Sluiten