Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wetenschappelijke kennis voor den a. s. Oost-lndischen ambtenaar.

wetenschap aan de hoogescholen overlaten en het uitsluidend practische, dat uit den aard der zaak in de practijk beter kan geleerd worden, behoort evenmin aan de Akademie te Delft te huis. Wanneer men nu hiervan tevens uitzondert de technische vakken, die eene speciale vorming vereischen, dan zal die kunde reeds binnen engere grenzen besloten kunnen worden.

Het eerste nu wat voor den ambtenaar te pas komt, is, dat hij bekend zij met den geest van het Oost-Indisch Regeringstelsel en de algemeene wetten en bepalingen, die hiervan het uitvloeisel zijn; vervolgens is het voor hem van aanbelang om zijne eigene regten en verpligtingen te kennen en de werking en onderlinge verhouding der verschillende takken van bestuur, en eindelijk om te weten, waarop de grondslagen der Inlandsche maatschappij berusten, waarmede hij in dagelijksche aanraking komt.

Hij moet zich alzoo toeleggen op de kennis van het publiek en administratief regt, benevens van de grondslagen der Inlandsche maatschappij.

Haar met deze kennis alleen zoude hij weinig gebaat wezen, indien hij zich niet tevens voorbereid had om te kunnen handelen, en weuxe nu zijn de handelingen die van den ambtenaar, vooral van dien bij het Binnenlandsch Bestuur, worden gevorderd? Hij moet de bevolking voorlichten in hare landbouw-verrigtingen, in het bijzonder bij het tot stand brengen van hare irrigatie-kanalen, welke laatste, wel is waar, meestal met voorbeeldelooze scherpzinnigheid zijn aangelegd, maar waarbij toch dikwerf veel onnut werk wordt verricht, dat door eene goede voorafgaande waterpassing had kunnen worden voorkomen, zoodat vele handen aan den landbouw worden onttrokken, die hiertoe anders hadden kunnen worden aangewend. Hij moet hen kunnen leiden bij den aanleg van wegen en bruggen, het verbeteren en bevaarbaar maken van rivieren, den bouw van pasangrahans, woningen en pakhuizen, om met de minst mogelijke materialen en arbeid de duurzaamste constructiën te verkrijgen; want, moge in de laatste tijden het personeel van den waterstaat eene aanmerkelijke uitbreiding hebben ondergaan, zoo kan dit toch nog in geenen deele voorzien in het toezigt over de veelvuldige werkzaamheden, die van de bevolking worden gevorderd. Verder moet de ambtenaar den aanleg van nieuwe aanplantingen besturen, terreinen uitzetten voor nieuwe cultuurondernemingen, de oppervlakte der belastbare gronden bij de taxatie van de landrenten kunnen nagaan, waartoe hem de kennis van het landmeten onontbeerlijk is.

En over al deze verrigtingen moet hij de administratie voeren, rapporten uitbrengen en voorstellen kunnen indienen, die zich door duidelijke uiteenzetting van denkbeelden in den gebruikelijken dienststijl kenmerken. Ziedaar in groote trekken wat van den ambtenaar kan worden geëischt en waarbij alzoo eene veelzijdige kennis te pas komt, die hij zich aan de Akademie te Delft moet kunnen eigen maken.

Het laatste zamenvattende, moet hij alzoo geoefend zijn in: den Nederlandschen stijl, en inzonderheid den dienststijl, het boekhouden, met het oog op de Indische kas-administralie, de kennis van bouwconstrucliën, den aanleg van wegen en hel bevaarbaar maken van rivieren, met gebruik van Indische materialen, en het landmeten, waterpassen en in kaart brengen.

Welke wetenschappelijke kennis kan nu den ambtenaar te stade komen om zijn vak hooger op te voeren?

Het zou bezwaarlijk wezen om alle wetenschappen op te sommen, die in de ambtelijke loopbaan kunnen te pas komen; men zal zich dus moeten bepalen tot die, welker beoefening het meeste nut kan opleveren, en hiertoe komen in aanmerking de natuurwetenschappen in het algemeen, de schei- en natuurkunde in het bijzonder, benevens de werktuigkunde.

De omvang dezer laatstgenoemde wetenschappen maakt echter eene doelmatige splitsing der studiën wenschelijk, men late dus, naar neiging en vatbaarheid der kweekelingen, aan hunne keuze over of zij zich, na allen een voorbereidend onderwijs te hebben genoten in de algemeene natuur-, delfstof-, plant- en dierkunde, nog verder willen toeleggen:

a. op de toegepaste scheikunde of

b. op de toegepaste natuurkunde en werktuigkunde.

Op deze wijze zal men twee hoofdrigtingen in het leven roepen, die door gedurige onderlinge aanraking van hunne volgers, zonder twijfel, een heilzamen invloed op den algemeenen gang van zaken moeten uitoefenen.

Overigens lijdt het geen twijfel dat het voor den ambtenaar van het hoogste belang is indien hij zich van de taal van het land kan bedienen; een vreemdeling met een gebrekkigen tongval zal nimmer den invloed kunnen verkrijgen van iemand, die in de kennis der volkstaal is doorgedrongen en daardoor tevens het volkskarakter heeft leeren begrijpen, waarvan de taal het getrouwe afbeeldsel is.

Indien wij nu alleen Javanen hadden te besturen, was ons de weg hierin al dadelijk aangewezen; maar er z\jn tal van volkeren aan onze

Sluiten