Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daartoe bestemde instelling. De leeftijd is dan bereikt, de kennis erlangd, die toelaten en ook noodig maken, dat de kweekeling meer op zich zeiven sta. De gelegenheid daarentegen voor dat deel der opleiding, hetwelk toezicht eischt, is op vele plaatsen gegeven. De wet van 2 Mei 1863 bepaalt, dat er althans vijf Rijks hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus zullen wezen, en het is te voorzien, dat ook gemeenten zulke scholen zullen oprichten. Men mag verwachten, dat aan deze scholen, middelpunten waar ook leerlingen van elders zullen zamenkomen, de gelegenheid zal ontstaan, jongelieden onder behoorlijk toezigt te huisvesten. Wordt het wenschelijk geacht, in het belang van ouders, in Indië gevestigd, daartoe eene speciale inrigting tot stand te brengen, de mogelijkheid is niet afgesneden.

Verscheidenheid Van Opleiding. Niet minder dan de opleiding aan eene hoogere burgerschool, geeft

ook die, aan een gymnasium en de universiteit tot zekere hoogte ont* vangen, waarborgen voor kennis en beschaving Zij behoort met het volledig onderwijs op ééne lijn gesteld te worden.

Alzoo is voor allen de weg tot eene Indische loopbaan grootendeels dezelfde, als die tot ambten en bedrijven der Europeesche maatschappij De studie van Indië kan voor allen tot het eindonderwijs behooren, de keuze tusschen eene Europeesche of Indische bestemming kan beslist worden in een leeftijd, waarop bijzondere talenten of neigingen zich duidelijk openbaren.

De verscheidenheid van 'opleiding geeft uitzigt, dat de Regering voor de dienst in Nederlaadsch- Indië niet alleen over vele, maar ook over velerlei intellectueele krachten kunne beschikken.

In de verschillende behoeften wordt derhalve voorzien door bestaande inrigtingen, of zal door nieuwe, krachtens de wet tot regeling van het middelbaar onderwijs in het aanzijn te roepen, worden voorzien. Alleen ontbreekt nog eene voldoende en van de technische opleiding afgescheiden gelegenheid om de speciale kennis van Indië te verkrijgen. Die gelegenheid van Staatswege te openen is het eenige doel van dit wetsontwerp. De voorwaarden van benoembaarheid tot ambtenaar in Nederlandsch-Indië te regelen blijft voorts, overeenkomstig artikel 49 van het Regeringsreglement voor Indië. aan eene algemeene verordening overgelaten.

Waar de instelling voor onderwijs in Indische wetenschap te vestigen, zal de Koning bepalen. Geen der zoo ovengenoemde instellingen, aan welke toekomstige ambtenaren' hunne algemeene opleiding ontvangen, kan bij uitsluiting worden aangewezen als de meest geschikte om het onderwijs in Indische taal-, land- en volkenkunde daarnevens te plaatsen

De nieuwe inrichting bij voorkeur te vestigen in eene of daarmede te verbinden. Als plaats van vestiging schijnt zich eene Academiestad akademiestad bovenal aan te bevelen. Het onderwijs zal steun vinden in

dat, hetwelk aan de hoogeschool wordt gegeven; welligt wordt menig jongmensen daardoor aangespoord om bij zijne universitaire studiën ook die in Indische-wetenschap te voegen, al is het niet met bet uitsluitend doel om Indisch ambtenaar te worden. Kennis der Indische maatschappij zal zich alzoo meer kunnen verspreiden, en, boven bekrompen afrigting, ruimer ontwikkelen. Voor hen, die in Indië in betrekkingen wenschen te komen, waartoe regtskennis nuttig is, zal bovendien de vereeniging in dezelfde plaats van de beide instellingen, aan welke zij hunne opleiding moeten ontvangen, groot voordeel aanbrengen.

Na deze verklaring der beginselen, waarop het wetsontwerp rust; schijnen de bijzondere bepalingen geene nadere toelichting te behoeven. Alleen zij nog opgemerkt, dat die van artikel 4 geheel overeenkomen met die van artikel 41 der wet tot regeling van het middelbaar onderwijs".

Tweeërlei meening in het Voorloopig Verslag over dit Blijkens het Voorloopig Verslag van de Tweede Kamer ontwerp uitgesproken. over dit wetsontwerp had het denkbeeld om eene nieuwe

instelling te stichten voor het onderwijs in de Indische taal-, land- en volkenkunde algemeen bijval gevonden maar bestond belangrijk verschil van meening over het wetsontwerp zelf. Eenerzijds vond men dat het te weinig regelde, dat de bedoelingen der Regeering voor de toekomst met betrekking tot de voorwaarden van benoembaarheid der Oost-Indische ambtenaren er niet uit bleken en dat het eigenlijk niet anders vertoonde dat de «bloote enunciatie eener onuitgewerkte gedachte". Anderzijds keurde men het wetsontwerp goed en wees men er op dal hiermede voor het eerst de oprichting verzekerd werd van eene instelling waaraan reeds lang behoefte had bestaan: eene instelling voor onderwijs in Indische vakken in algemeenen zin, geheel afgescheiden van de opleiding der Oost-Indische ambtenaren en met een geheel ander karakter dus als de Delftsche Academie, welke in hoofdzaak strekte tot vorming, beter gezegd africhting van jongelieden voor de betrekking van Oost-Indisch amb-

14

Sluiten