Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Karakter van het onderwijs aan de Rijksinstelling volgens Thorbecke.

De Instelling behoort tot het middelbaar onderwijs.

Behandeling van het ontwerp in de Eerste Kamer.

Verschillende bezwaren aangevoerd.

Het onderwijs zou eenerzijds te weinig, anderzijds te veel geven.

Antwoord van den Minister Thorbecke.

' De Minister Thorbeckb antwoordde hierop het volgende:

•Wanneer wij bij deze instelling een taalonderwijs gaan •scheppen als de natuurlijke taak is van eene faculteit aan »de Hoogeschool, dan zal het doel dezer instelling worden •voorbijgestreefd en zal zij niet bruikbaar meer zijn voor • degenen waarvoor zij in de eerste plaats bruikbaar wezen •moet. Het onderwijs aan deze instelling te geven kan •leunen aan het universiteitsonderwijs; het kan licht daarvan •ontvangen en wederkeerig licht daaraan geven; maar het •moet geen faculteitsonderwijs zijn, het moet een ander •onderwijs wezen. Ik zal er niet meer over zeggen, want •het onderscheid der eischen, waarin door een onderwijs ■als dit en door een hooger onderwijs moet worden voorzien, •is bij de discussie over de wet tot regeling van het middelbaar •onderwijs genoegzaam gebleken. Ik geloof ook niet dat •men nu langer twijfelen zal of naar mijn gevoelen deze •instelling eene insleUing van middelbaar dan wel van hooger •onderwijs zij. Wanneer de polytechnische school tot opleiding •voor de hoogste takken van maatschappelijke kennis en «geschiktheid, eene middelbare school is, doen wij aan de •eer onzer nieuwe instelling in geenen deele te kort, wanneer •wij haar onder de instellingen van middelbaar onderwijs •rangschikken. Wij zullen toch niet hechten aan den naam •en eenig onderwijs lager schatten omdat het middelbaar en •een ander in de wettelijke taal hooger onderwijs genoemd ■wordt".

Nadat de Heer Heemskerk verklaard had in 's Ministers nadere toelichting aanleiding te vinden tegen het ontwerp te stemmen, werd het amendement van den Heer van Kerkwijk verworpen en ten slotte het geheele wetsontwerp door de Tweede Kamer aangenomen met 41 tegen 20 stemmen.

Bij de schriftelijke en mondelinge behandeling van het wetsontwerp iu de Eerste Kamer werden nagenoeg dezelfde bezwaren aangevoerd als in de Tweede Kamer.

Men vond dat het wetsontwerp te weinig regelde en te veel overliet aan nader vast te stellen algemeene maatregelen van inwendig bestuur. De Heer Boreel van Hooilanden (') merkte op dat wat bij maatregel van algemeen bestuur geregeld wordt ook bij zoodanigen maatregel weer ingetrokken kon worden en de regeling dezer aangelegenheid dus afhankelijk zou zijn van de wisselende inzichten van opvolgende ministers. De Heer van Eysinga beriep zich op de verklaring van den Minister Thorbecke dat de hoofdstrekking van het ontwerp was de opleiding voor den publieken dienst en constateerde dat het ontwerp geenerlei waarborgen gaf voor het bereiken van dat doel. Hij betwijfelde of de examens in Indië en in Holland wel met dezelfde onpartijdigheid zouden worden afgenomen en achtte regeling van het programma dier examens bij de wet noodzakelijk, omdat de eene Minister anders zou afkeuren wat de andere noodig had geacht. De Heer van Beest Vollenhoven vond dat het onderwijs zooals dat volgens de mededeelingen van den Minister geregeld zou worden te weinig gaf voor de a. s. Oost-Indische ambtenaren, te veel voor hen die de instelling wenschten te bezoeken zonder het bepaalde doel zich voor ambtenaar te bekwamen.

In antwoord op een en ander verklaarde de Heer Thorbeckb dat regeling bij de wet van de examenprogramma's enz. geenszins uitgesloten was, maar alleen op dit oogenblik niet raadzaam geacht werd. Thans moest geregeld worden wat dadelijke regeling behoefde en daarvoor vatbaar was. »De zaak", zoo sprak deze Minister, »zal, vermoed ik deze wending •nemen: de examens zoowel.hier te lande als in Indië zullen

(') Handelingen Staten-Generaal 1863/64. Discussiën Eerste Kamer zitting 8 Juni 1864 blz. 203/208.

16

Sluiten