Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reglement voor het Groot-ambtenaarsexamen. Beginselen daarbij gevolgd.

Examen als maatstaf van geschiktheid voor bijzondere takken van dienst.

Vrijheid der candidaten om zelf de examen-vakken te kiezen.

zon worden gegeven in ongeveer dezelfde vakken als aan de Rijksinstelling te Leiden (•).

Ongeveer tegelijkertijd besloot ook de Raad van de gemeente Delft om te dier plaatse eene instelling voor onderwijs in de Indische taal-, land- en volkenkunde te openen.

De hoogerbedoelde beginselen, hoewel thans nog geldende, gaven sinds 1864 meer dan eens aanleiding tot beschouwingen en critiek. In de eerste jaren golden deze beschouwingen voornamelijk de vraag welke bekwaamheden van de aanstaande Oost-Indische ambtenaren moesten gevorderd worden, m. a. w. de inrichting, wijze van afnemen enz. van het z. g. grootambtenaarsexamen.

Een uitvoerig Reglement van orde voor dit examen werd vastgesteld door den Minister Fransen van de Putte bij zijne resolutie van 14 Maart 186B La. R4 kabinet.

Bij zijn begeleidend schrijven (*) deelde de Minister mede dat het zijn streven was geweest de meest mogelijke waarborgen te scheppen voor de deugdelijkheid van dit zoo gewichtig examen. De uitslag daarvan moest voor eiken candidaat gedetailleerd blijken uit het op te maken getuigschrift en zulks >om een middel te verkrijgen ter beoordeeling der «meerdere of mindere geschiktheid van de geëxamineerden «voor bijzondere takken van dienst. De candidaat bijv. die «heeft uitgemunt in de vakken van landmeten en statistiek, •zal bij voorkeur in aanmerking komen bij de aanstelling «van personeel voor de kadastrale en statistieke opname, «terwijl op hem, wiens stijl en taalkennis buitengewoon «hebben voldaan, in de eerste plaats zal behooren te worden gelet «bij de vervulling van betrekkingen waarin redactie hoofdzaak is".

Voorts wilde de Minister geen bezwaar maken tegen het opnemen in de examen-commissie van de leeraren aan de inrichtingen voor Indisch onderwijs, maar wenschte er toch voor gewaakt te zien dat deze commissieleden geen overwegenden invloed zouden krijgen bij de eindbeslissingen.

De ondervinding opgedaan bij de eerste examens gaf reeds spoedig aanleiding tot het voorstellen van eenige wijzigingen in het examen-programma en in enkele daarmede verband houdende artikelen in de regeling van 1864. Zoo stelde de Minister Trakranen o. a. voor om wetten, volksinstellingen enz. niet onder de facultatieve maar onder de verplichte vakken op te nemen.

De Raad van State over dit laatste voorstel gehoord, kon daarmede niet instemmen en achtte dit «een stap verderop »den weg om van allen de kennis in dezelfde vakken te vor»deren. Bij de zoo belangrijke uiteenloopende werkkringen «waarin de Oost-Indische ambtenaren werkzaam kunnen zijn, «behoort eenige vrijheid te worden gelaten om, naarmate «ieders aanleg medebrengt, zich meer bepaald voor de eene «of andere tak van dienst voor te bereiden en is het minder «rationeel om het aantal vakken waarvan de kennis voor aUen «verplichtend is, nog te vermeerderen".

Dat de bekendheid met godsdienstige wetten enz. voor den a. s. ambtenaar van evenveel belang was als de kennis der Staatsinstellingen (zooals de Minister Takbanen had beweerd) kon de Baad van State niet toegeven. «Algemeene bekend»heid" zoo schreef de Baad, «met het volk waaronder de

(') Over de oprichting van het Gymnasium Willem III zie Besluiten 24 Haart 1859 n°. 1, 22 September 1859 n". 3, 26 Juni 1861 n°. 5, 21 October 1861 n'. 2, 24 Februari 1864 n°. 14 en 14 Augustus 1864 n° 12. Over de Indische afdeeling van dat Gymnasium handelt Besluit 19 September 1865 n°. 6 en 21 Augustus 1867 n°. 1.

(') Ministerieele dépêche 14 Haart 1865 Lett. R'/P kabinet in Besluit 6 Hei 1865 n". 2.

Sluiten