Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gewijzigde bepalingen op de benoembaarheid.

Concurentie tusschen de Leidsche en Delftsche gemeenteinstellingen.

Betoog van den Gouverneur-Generaal van Lansberge dat de studie van het Ja aansch moet aangemoedigd worden.

deeld werd nuttig te wezen voor de ambtenaren eerste klasse.

Genoemd artikel werd bij de behandeling in de Tweede Kamer aangevuld met een amendement van de Heeren Mibandolle en Mackay waarbij de bedoeling voorzat om de plaatsing van academisch gevormde personen in burgerlijke betrekkingen in Indië te bevorderen na den doctoralen graad gehaald te hebben zonder deze daartoe een faculteitsexamen hebben af te leggen (').

Nadat de wet op het hooger onderwijs aangenomen en de Leidsche inrichting opgeheven was, moesten de bepalingen op de benoembaarheid der Oost-Indische ambtenaren aangevuld worden in verband met die nieuwe hooger onderwijs-wet en de bij amendement daarin gebrachte bepaling. Dit geschiedde bij Koninklijk besluit van 13 Juli 1877 n°. 2 (Indisch Staatsblad 1877 n°. 187), nader gewijzigd bij Koninklijk besluit van 12 Mei 1878 n». 10 (Indisch Staatsblad 1878 n°. 196).

In verband met de opheffing van de Rijksinstelling te Leiden besloot de gemeenteraad aldaar om, in navolging van Delft ook eene inrichting te openen voor het onderwijs in de Indische vakken aan welke inrichting men zich zou kunnen

bekwamen voor het groot-ambtenaarsexamen. Al spoedig ontstond eene scherpe concurrentie tusschen beide gemeenteinstellingen ; een adres van curatoreu van de Leidsche instelling aan den Minister van Koloniën, houdende bezwaren tegen het programma en de wijze van afnemen van het groot-ambtenaarsexamen gaf aanleiding tot een heftigen pennestrijd tusschen die curatoren en de examen-commissie, welke strijd behalve over kwesties van persoonlijken aard, voornamelijk liep over: 1*. de noodzakelijkheid van de studie der Javaansche taaien de achteruitgang van het aantal harer beoefenaars onder hen die zich voor den Indischen dienst bestemmen; 2". het al of niet wenschelijke van hel beginsel om den candidaten de vrijheid te laten om, behalve in het Javaansch of het Maleisch, nog in andere talen examen te doen (Soendaneesch, Madoereesch, Makassaarsch, enz.); 3'. de wijze waarop het groot-ambtenaarsexamen in Nederland werd afgenomen.

De Gouverneur-Generaal van Lansberge, over de beide eerste verschilpunten gehoord, deelde als zijn meening mede dat de studie van het Javaansch inderdaad aangemoedigd behoorde te worden en dat het niet wenschelijk was examens in andere talen dan Maleisch en Javaansch te doen afleggen. Zijne Excellentie motiveerde dit oordeel als volgt (*):

Wat het eerste punt betreft, ben ik met de Leidsche knratoren en den Raad van Nederlandsch-Indië van meening, dat aan de studie der Javaansche taal hooge waarde moet worden gehecht, zoowel omdat hare kennis het aanleeren der overige polynesische talen ontegenzeggelijk gemakkelijk maakt, als omdat zij het van die talen verreweg wint in rijkdom van litteratuur, waardoor zij haren beoefenaar eene ruime ge-

(') Discussies Tweede Kamer bjz. 1297/98, 1318/19, 1366/70,1373/74 en 1875.

Artikel 92 wet Hooger Onderwijs luidt als volgt:

Voor zooveel Nederlandsch-Indië betreft, geeft de voormelde graad (doctor in de rechten) onder hetzelfde voorbehoud (nl. nadere vereischten in bijzondere wetten of verordeningen gevorderd) de bevoegdheid om bij de rechterlijke macht of den burgerlijken dienst te worden benoemd, aan hem die bij de betrokken faculteiten een door Ons, ingevolge artikel 84 te regelen examen in de vakken, vermeld in artikel 43 n°. 2 litt. aen6 en sub n'. 5 litt. c heeft afgelegd.

Het z. g. faculteitsexamen is geregeld bij artikel 24 van het Koninklijk besluit van 27 April 1877 (Nederlandsch Staatsblad n\ 87) gewijzigd bij Koningklijk besluit van 12 Mei 1878 n°. 10. Besluit 28 Juli 1894 (Nederlandsch Staatsblad n°. 140).

(*) Besluit 14 Augustus 1879 n°. 14.

Sluiten