Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de besluiten Tan 16 April 1879 n°. 42 en 24 December 1888 n°. 17 is vastgesteld ten aanzien van de examens voor opzichter en architect van den Waterstaat en 's Lands Burgerlijke Openbare Werkenjen voor adjunctlandmeter der 3la klasse bij het Kadaster in Nederlandsch-Indië.

Welke verhoudingscoëfliciënten voor elk der vakken behooren te worden aangenomen, laat ik hier in het midden, daar het niet op den weg van den Baad van Directeuren ligt om daaromtrent advies uit te brengen en dat meer eigenaardig behoort tot de taak van de examen-commissie.

Alleen zij hier nog opgemerkt, dat bij het bepalen van die verhoudiugs. coëfficiënten aan de Maleische en Javaansche talen een hoogere betrekkelijke waarde zal behooren te worden toegekend dan aan de niet verplichte talen.

Een ambtenaar toch, die Javaansch kent, bezit voor het Binnenlandsch Bestuur op Java en Madoera meerdere geschiktheid dan iemand, die hetzij alleen het Soendaasch, hetzij alleen het Madoereesch spreekt, daar men, eenmaal Javaansch kennende, de beide andere op Java inheemsche talen gemakkelijk aanleert, hetgeen omgekeerd niet gezegd kan worden van hem, die slechts een van beide andere talen heeft bestudeerd.

Evenzoo moet voor de Buitenbezittingen de kennis van het Maleisch van meer belang geacht worden dan een van de slechts in een bepaald gewest inheemsche talen".

Eindelijk besprak de Heer vak Vleuten de vraag of bij de oprichting van eene Rijkinstelling in Nederland de gelegenheid lot opleiding van ambtenaren in Indië aan afdeeling B van van het Gymnasium Willem 111 behouden zou moeten blijven. Hij wees er op dat de beide Hoogleeraren ook bij oprichting van eene Rijksinstelling in Nederland, de Bataviasche inrichting wenschten te behouden, doch daarbij met geen enkel woord melding hadden gemaakt van de voor de Nederlandsche instelling zoo noodzakelijk geachte orde en tucht, de vorming van geest en van karakter.

Opleiding van a. 8. ambtenaren in Indië. .Mochten de stellers der nota's in de meening verkeeren, dat een

stelselmatige vooroereiuing, zooais zij uie wenscnen, nier in maie reeus

bestaat, dan geloof ik dal zij zich vergissen.

n„„k .1 —Ait u.,i..t„ „„i, „;„i u~i „„.,..1 a~„ „„„ mnni :i, .,„^1,ln,„„

dat ik nimmer heb hooren beweren dat de jonge lieden van Batavia afkomstig zooveel bruikbaarder en degelijker waren dan zij die te Delft of Leiden hun opleiding genoten.

Jongelieden in Indië opgeleid 8taan achter bij die Uit Integendeel, het onderscheid tusschen de beide calegoriën van jongeheden Nederland afkomstia is meestal 0PmerkelÜk en valt — behoudens enkele gunstige uil-

**' zonderingen — bijna altijd in het nadeel uit van hen, die in Indië zijn

geboren en opgevoed.

De gebruikelijke spreekwijze: men wandelt niet ongestraft onder de palmen, heeft ook hier haar eigenaardige beteekenis.

Vroeger, op jeugdigen leeftijd, deelde ik volkomen de zienswijze van hen, die het als een groote onbillijkheid aanmerkten, dat in deze gewesten niet de gelegenheid werd opengesteld om zich voor den kolonialen dienst te bekwamen.

Ik beaamde destijds die onbillijkheid uit het oogpunt van liberaliteit, méér dan op gronden, ontleend aan de smart van het scheiden en het overlaten van de opvoeding aan anderen, hetgeen ik toen trouwens nog niet besefte.

Sedert ik als Resident en Directeur ruimschoots in de gelegenheid geweest ben het zoo kenmerkend verschil tusschen hen die in Nederland en in Indië hun opleiding genoten, wat degelijkheid van karakter, wijze van voordoen etc. betreft, op te merken, ben ik evenwel van zienswijze Opleiding in Nederland Verdient de VOOrkeur. veranderd en heeft zich bg mij de overtuiging gevestigd dat een opleiding

in Nederland verre de voorkeur verdient boven een opvoeding in Indië.

Opheffing afdeeling B van Gymnasium Willem III wel in z«u ik daarom een 0*heaia« van de *UediD? B van hf uymnasium

.. . oxiju-x-jij A-i- Willem III in het belang van den Staat achten, met het oog op de

t belang van den Staat dOCh met in dat der particulieren. ™fparticuliere belangen, die daaronder zouden Djden, du,f ik daaVtoe

het voorstel niet te doen, al zou ik ook thans, wanneer die gelegenheid niet bestond en mijn gevoelen omtrent de oprichting van een dergelijke instelling werd ingewonnen, niet aarzelen daartegen te adviseeren".

Ten slotte stelde de Directeur van Vleuten voor om de schriftelijke examens voor Oost-Indisch ambtenaar in Nederland en in Indië op hetzelfde tijdstip te doen afnemen en daarbij geheel dezelfde vragen te doen stellen (evenals bij de eindexamens Hoogere Burgerschool) waardoor een einde zou worden gemaakt aan de klachten dat het examen in Nederland

zwaarder was dan dat in Indië. Advies Raad van Directeuren* Hel advies van den Raad van Directeuren sloot zich in

Sluiten