Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot de verplichte vakken moeten behooren rechtskennis en zoowel Javaansch als Maleisch.

Advies van den Gouverneur-Generaal Pijnacker H o r d ij k.

Gunstig oordeel over de jongere ambtenaren.

De studie van Inlandsche talen wordt opgedreven.

Ingrijpende hervormingen niet noodig.

Antwoorden op de door den Minister Mackav nestelde

vragen.

worden, af te nemen uitsluitend door Hoogleeraren der Leidsche

universiteit.

6«. Dit examen zou ook toegankelijk moeten wezen voor hen, die elders hebben gestudeerd; het hun gegeven onderwijs zou zich dan natuurlijk van zelf naar de Akademische lessen richten.

7". De tegenwoordige verplichte vakken moeten vermeerderd worden met de kennis van de beginselen van het burgerlijk- en strafrecht, en kunnen overigens worden behouden, met dien verstande, dat zoowel Maleisch als Javaansch van allen geëischt wordt en dat aan het onderwijs in de Moslimsche rechts- en godsdienstwetenschap en in de geschiedenis en de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië niet zulk eene uitbreiding worde gegeven als thans het geval is.

8*. Verder worde van de candidaten geëischt een testimonium van voldoende kennis in de beginselen der landmeetkunde, waarin van Staatswege onderwijs wordt gegeven, zoowel als waarborg voor de nakoming der gestelde eischen, als om de studiekosten der candidaten jniet onnoodig te verhoogen.

9'. Naar andere talen dan Maleisch en Javaansch wordt bij het sub 5* bedoelde examen geen onderzoek ingesteld.

10*. De instelling te Batavia wordt behouden en haar onderwijs met het nieuw examen-programma in overeenstemming gebracht".

De Gouverneur-Generaal Phnacker Hordijk legde de door de verschillende autoriteiten uitgebrachte adviezen over aan den inmiddels opgetreden Minister van Koloniën Baron Mackay en deelde mede dat Hij zich met geen der voorgestelde systemen ten volle kon vereenigen. Eene ernstige overweging dier adviezen had hem geleid tot de volgende conclusiën.

•Terecht werd, mijns inziens, door Uwe Excellentie als hoofd van het Departement van Binnenlandsche Zaken bij Uwe aan den Minister Keuchenius gerichte missive van 22 Augustus 1888 n". 2453, afdeeling O, er op gewezen dat, alvorens het door de Heeren var der Lith en Spanjaard ontwikkeld plan nader in behandeling werd genomen, het moet vaststaan dat de wijze, waarop thans in de opleiding der ambtenaren voor den Indischen burgerlijken dienst wordt voorzien door de gemeenten Delft en Leiden, geen waarborg geeft dat die opleiding naar wensch is en daaromtrent geen afdoende verbetering verkregen kan worden. De Delftsche gemeenteinsteUing nu bestaat sedert 26 jaren, zoodat de te stellen vraag neerkomt op deze andere: of het gehalte der in dat tijdvak voor den Indischen dienst uitgezonden ambtenaren zóó veel te wenschen heeft overgelaten dat het voor den Staat een onafwijsbare plicht wordt de opleiding zelf ter hand le nemen?

Bij de beantwoording dier vraag wensch ik voorop te stellen dat ik de min of meer donker gekleurde voorstelling van het gehalte der jongere ambtenaren, eene voorstelling, die ook in sommige Indische adviezen voorkomt, geenszins als juist kan beschouwen. De jongere ambtenaren, ik bedoel die van de laatste tien of twintig jaren, staan in algemeene ontwikkeling, kennis, beschaving, tact en karakter naar mijne overtuiging bij de oudere volstrekt niet achter. Alleen in den laatsten tijd zou de vrees wellicht gewettigd kunnen zijn, hoewel de ervaring daaromtrent mijns inziens nog geen uitspraak heeft gedaan, dat het gehalte lijden moet onder de richting, die de studiën allengs hebben aangenomen. Om een zoo hoog mogelijk aantal punten te behalen en dus tot de geplaatsten te behooren, leggen de adspiranten voor den Indischen dienst examen af in drie of vier Polynesische talen tegelijk, die zij in twee a drie jaren bestudeerd hebben. Dat die overmatige leerstof niet goed verwerkt wordt en de daaraan besteede studie niet veel vrucht heeft, mag wel worden aangenomen. Maar dit verschijnsel, hetwelk geen andere oorzaak heeft dan het gering aantal plaatsen dat in de laatste jaren werd opengesteld, kan mijns inziens bezwaarlijk als motief gelden voor de oprichting van eene kostbare Bijksinstelling, vooral daar het kwaad gemakkelijk te verhelpen schijnt, en wel door geene vrijheid meer le geven tot het afleggen van examen in andere talen dan Maleisch en Javaansch, waardoor de gelegenheid wordt afgesneden tot het opdrijven der studie door de concurrentie, hetzij van de candidaten, hetzij, zooals beweerd wordt, van beide gemeenteinstellingen.

Ik kan dan ook den tegenwoordigen toestand niet als zorgwekkend beschouwen en acht ingrijpende hervormingen in geenen deele noodig. Op de door Uwe Excellentie in Haar aangehaald schrijven van 1888 gestelde vragen zoude ik de volgende antwoorden willen geven. Voldoet de tegenwoordige wijze van opleiding aan de eischen van den Indischen dienst? Over het algemeen, ja. Welke uitkomsten zyn in dit opzicht na de ophefüng der voormalige te Leiden gevestigde Bijksinstelling verkregen? Geene nadeelige uitkomsten. Kan bij eene gemeenteinstelling de voorbereiding niet worden verkregen, die de Kegeering voor hare

Sluiten