Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Split8ing der ambtenaren in diS VOOr Java en die VOOr Het denkbeeld, door den Heer Laging Tonus in zijne nota ontwikkeld de Buitenbezittingen practisch niet uitvoerbaar. hren& '"P80" tot eene sPUtsin8 van de ambtenaren voor/auo en irad«ra

en van die voor de Buitenbezittingen, in dier voege dat ieder jaar afzonderlijk het noodige aantal ambtenaren ter beschikking voor beiden zou worden gevraagd. De practische gevolgen, die dat hebben zou, zijn, dunkt mij, al een voldoend argument tegen het voorstel, dat die consequentie accepteert.

De wijze van doceeren, die zich moet richten op het geven van juiste begrippen, moet ook hier een waarborg zijn tegen overlading.

Dat daartegen gewaakt moet worden geef ik Uwer Excellentie volkomen toe, en beperking van andere leervakken, zooals de Raad van Indië in overweging geeft bij zijn advies van 7 Maart 1890 n°. XXIII, kan daarvoor Studie Moslimsch recht kan beperkt WOrden. wellicht in aanmerking komen. Indien de studie van het Moslimsche

recht en de godsdienstige wetten blijken te veel van den tijd en krachten te vorderen, zie ik geen bezwaar tegen beperking daarvan. Een tijd lang althans hebben zij zich te veel op den voorgrond gedrongenVolgens de verklaring der Delftsche docenten zijn de eischen, die thans gesteld worden, zeer matig.

Driejarige Cursus noodig. Een driejarige cursus zal echter noodig worden, naar het mij voorkomt,

evenals men te Delft reeds heeft aangenomen, en die tijd is dan ook zeker niet te lang om van onze Indische ambtenaren te maken, wat zij behooren te zijn. Dat zij te kort zou kunnen bhjken, zooals de Heer Laging Tobias veronderstelt, behoeft m. i. niet te worden gevreesd. Bij de rijksinstelling te Delft was de cursus voor de ambtenaren le klasse een tweejarige en in dien tijd kan men zich met vrucht voor examen in het Javaansch en in het Maleisch voorbereiden, dit weet ik uit eigen ervaring. En bij een driejarigen cursus komt mij de voorgestelde splitsing van het examen wel doelmatig voor en in het belang der betrokkenen".

In verband met een en ander deelde de Minister mede voornemens te zijn ter zake eene voordracht te doen aan de Koningin-Weduwe-Regentes en verzocht hij den Gouverneur-Generaal alsnog te willen mededeelen welke maatregelen in Indië genomen zouden moeten worden en welke wijzigingen in verband daarmede de Indische begrooting zou hebben te ondergaan.

By zijne dépêche van 29 April 1893 n°. 8/864 deelde de Minister nog mede, dat hij meende de begrooting van 1894 niet te moeten afwachten voor het doen van hoogerbedoelde voorstellen, zoodat reeds in 1893 de nieuwe cursus van het Gymnasium Willem JII geopend zou moeien worden. Tegenstand van den Raad van State tegen de voorstellen Inmiddels was de Raad van State gehoord op de voorstellen van Dedem. die door den Minister van Dedem bij zijn rapport van B Mei

1893 Lelt. D, n°. 13 aan de Koningin-Weduwe-Regentes waren aangeboden. Met uitzondering van den Staatsraad van Alphen, verklaarde het College zich tegen de voorstellen tot opneming van de rechtsbeginselen op het examen-programma en tot het eischen van een examen zoowel in het Javaansch als in het Maleisch. De argumenten door den Raad van State aangevoerd ter motiveering van zyn afkeurend oordeel, werden door den Minister van Dedem bestreden iu een nader rapport aan de Koningin-Weduwe-Regentes van 115 Juli 1893 n°. 61. Aan dit rapport zij het volgende ontleend :

Nadere toelichting van den Minister.

•Zonder te ontkennen dat de kennis der Nederlandsch-Indische Wetboeken en van de hoofdbeginselen van het recht wenschelijk is voor de bij het Binnenlandsch Bestuur geplaatste ambtenaren, meent de Baad' van State dal het belang daarvan wordt overdreven door die kennis op te nemen in het examen-programma. Hij wijst er op dat dal belang zeer is verminderd en nog voortdurend vermindert door de in beginsel aangenomen afscheiding van rechterlijke en administratieve ambten. Daarenboven is hij van oordeel dat het onderwijs in dit vak, aan de aanstaande Indische ambtenaren op den voorgestelden voet te geven, niet zal balen, omdat er te weinig tijd aan zal kunnen worden besteed en het geleerde reeds weder zal zyn vergeten wanneer het ambtelijk standpunt zal zijn bereikt waarop de Indische administratieve ambtenaar bemoeienis met rechtszaken krijgt.

Het komt den ondergeteekende voor dat de Staatsraad Jhr. van Alphen er volkomen te recht op wijst dat de Indische ambtenaar veel eerder, dan de Baad van State meent, bemoeienis met rechtszaken heeft, maar ook zonder dergelijke directe bemoeienis, moet eenige notie van

30

Sluiten