Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Noodzakelijkheid voor den Oost-lndischen de kennis der rechtsbeginselen.

Afzonderlijk examen voor de betrekking Resident of Secretaris niet gewenscht.

Bij de uitzending der ambtenaren kan pen den gemaakt tusschen die bestemd voor voor de Buitenbezittingen.

Nieuwe regeling van 1893.

de rechtswetenschap hem eene behoefte -rijn. Zooals de ondergeteekende zeide in zijn rapport van 5 Hei 1893 litt. 6, n*. 13, is het te doen om ambtenaar Van den Indischen ambtenaren «fundamenteele rechtsbegrippen" bij te brengen, ten einde het maatschappelijk verband en het maatschappelijk leven te kunnen begrijpen. Wel beweert de Raad van State dat ieder beschaafd Nederlander daarmede niet geheel onbekend is, zoodat de vergelijking die de ondergeteekende maakte tusschen de thans niet in het examenprogramma opgenomen Nederlandsche Wetten en de wel opgenomen Inlandsche godsdienstige wetten, volksinstelbngen en gebruiken niet op zou gaan, maar de ondergeteekende meent gerust te mogen zeggen dat, wat ieder beschaafd Nederlander weet van de Nederlandsche Wetboeken, niel voldoende kan worden geacht voor den ambtenaar, die een zoo veelzijdigen werkkring heeft als de Indische, al is het niet noodig te eischen dat hij jurist zij. Tusschen de mate van kennis op dit punt ' van ieder beschaafd Nederlander en van hem, die rechtsgeleerde is, hgt eene groote ruimte, en in die ruimte is de plaats te vinden waar geëischt mag worden dat de Indische ambtenaar staat. Slaat hij daar eenmaal, dan zal het hem ook vrij wat gemakkelijker vallen zich verder voort te bewegen in de richting van den rechtsgeleerde, wanneer zijn ambtelijke werkkring zulks mocht gaan eischen, dan wanneer hij dan nog mocht staan op hetzeUde standpunt als ieder beschaafde Nederlander, te eer wanneer hij dan een handboek te zijner beschikking heeft als hetgeen de ondergeteekende zich voorstelt. Dergelijk handboek zal echter, om tot zijn recht te kunnen komen, gebruikt moeten worden op een basis die gelegd is bij het voor de meesten zooveel vruchtbaarder mondeling, met tact en levendigheid van voorstelling gegeven onderwijs. Voldoet het onderwijs aan dien eisch, dan is het ook niet le verwachten dat •het zoo spoedig vergeten zal zijn als de Raad van State vreest. Niet om het licht te vergeten geheugenwerk is het te doen, maar om het bijbrengen van groote begrippen, die, eenmaal opgenomen, een factor van de mate van ontwikkeling, waartoe iemand gekomen is, blijven uitmaken. Van Assistent- lit het bovenstaande blijkt waarom de ondergeteekende meent dat het voorgestelde doel niet zou worden bereikt door wat de Raad van State aangeeft, een examen om benoembaar te worden tot Secretaris Of Assistent-Resident voor eene Commisie uit een Raad van Justitie, betwelk wellicht zou kunnen zijn eene uitbreiding van het thans bestaande klein notaris-examen. Bij de voorbereiding daartoe zou het mondeüng onderwijs van een tot het geven daarvan volkomen bevoegde ontbreken en het zou_niet.bevatten den waarborg dien de ondergeteekende wenscht, dat ieder in diénst tredend ambtenaar eenigermate doortrokken zij van de groote en algemeene rechtsbegrippen waarop onze wetgeving ge-

l)3LS66rd is»

De kennis zoowel van de Javaansche als van de Maleische taal noemt de Raad van state inderdaad in vele gevaRen een groot voordeel voor den besturenden ambtenaar, maar hij acht die. toch niet bepaald noodig, daar eene volstrekte afscheiding tusschen ambtenaren voor Java en Madura en voor de Buitenbezitüngen wel groote practische bezwaren ™.. „„i«,oron maar Pv toch veel in die richting kan gedaan worden.

splitsing WOr- Het zij den ondergeteekende veroorloofd op te merken dat het hem met lava pn die bekend is hoe iets van belang zou kunnen worden gedaan inde richting om jaarhjksch bij de uitzending der ambtenaren reeds eene sphtsing te maken tusschen hen die bestemd zijn voor Java en Madura en hen die bestemd zijn voor de Buitenbezittingen. Daarop nu komt het aan. Is dat niet te doen, dan kan er ook geen sprake zijn van een afzonderlijk corps ambtenaren voor het eene gedeelte van Indië en een voor het andere, en dan blijft het afgescheiden van de algemeene ontwikkeling die het gevolg van de studie der beide talen is en als zoodanig tengoede komt aan den Indischen dienst in het algemeen, wenschelijk en noodig dat de ambtenaar zich, wat zijne taalkennis betreft, al dadehjk in geen van beide deelen geheel vreemd voelt.

Het Opperbestuur vereenigde zich ten slotte met de inzichten van den Minister vau Dedem en de nieuwe bepalingen op het groot-ambtenaars-exameu, alsmede de noodige wijzigingen in de regeling van 1883 werden vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 20 Juli 1893 n°. 29 (•) (Indisch Staatsblad 1893 n°. 287).

Op de Indische begrooting voor 1894 werden de noodige fondsen uitgetrokken voor de aanstelling van een leeraar in de Nederlandsch-Indische wetboeken aan de afdeeling B van het Gymnasium Willem lil, alsmede voor de uitvoering van eene overeenkomst die de Minister met de gemeente Delft

(-) Besluit 29 September 1893 n°. 15. is opgenomen als bylage L hierachter.

Het nieuw examen-programma

Sluiten