Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Advies van den Gouverneur-Generaal Pijnacker Hordijk.

Aan opheffing van afdeeling B kan niet gedacht worden.

Voorloopig Verslag Indische Begrooting 1890.

Minister Keuchenlus zou opheffing afdeeling B onbillijk achten tegenover Indische ingezetenen.

Voorloopig Verslag Begrooting 1891.

in Nederland aangevoerd, schreef de Gouverneur-Generaal Pijnacker Hordijk o. a. het volgende:

• De opmerking is inderdaad gemaakt dat het resultaat ■eener opvoeding in Nederland opvallend gunstiger is dan ■dat eener opvoeding in Indië.

■ Doch indien deze opmerking gegrond ware, dan zoude zij ■er toe moeten leiden dat het belang van den Staat, wiens ■dienaren voor een aanzienlijk deel Uit de hier geboren af■slammelingen van Europeanen getrokken worden, niet bevorderd wordt door de oprichting of instandhouding van ■eenige instelling welke de opvoeding in Indië mogelijk maakt ■of begunstigt. Men zoude dan, om consequent te zijn, ook ■de reeds bestaande Hoogere Burgerscholen en in elk geval ■de afdeeling B van het Gymnasium Willem III, welke rechtstreeks ambtenaren voor den Indischen dienst opleidt, weder ■moeten opheffen.

■Wie denkt er echter ernstig aan P Wie zoude zelfs durven ■beweren dat zulk eene maatregel, al ware het slechts in ■ theorie, aanbeveling zoude kunnen verdienen"? (')

De Minister Keuchenius was blijkbaar hetzelfde gevoelen toegedaan. Althans toen in het Voorloopig Verslag over de Indische begrooting van 1890 de opmerking gemaakt was (*) dat de kwestie van de opleiding der Oost-Indische ambtenaren van Regeeringswege niet genoeg belangstelling genoot, dat betere waarborgen zouden worden verkregen indien de ambtenaren aan eene Rijksinstelling werden opgeleid en dat, indien hiertoe overgegaan werd, afdeeling B van het Gymnasium Willem III opgeheven zou moeten worden, hetgeen een voordeel geacht werd, omdat de a. s. ambtenaren, alvorens naar Indië te vertrekken, alsdan gelegenheid zouden hebben hun gezichtskring door een tijdelijk verblijf in Sur opa uit te breiden, en omdat voorts de band tusschen Nederland en Indië daardoor versterkt zou worden, antwoordde genoemde Minister dat de oprichting eener Rijksinstelling een punt van overweging uitmaakte, maar dat het denkbeeld om, bij oprichting van zoodanige inrichting, afdeeling R van bet Gymnasium Willem III te sluiten, hem weinig toelachte. Zijns inziens zou de verwezenlijking van dat denkbeeld niet zijn vrij te pleiten van hardheid tegenover die Indische ingezetenen, die eene zoo kostbare opvoeding, als het gevolg is van een tijdelijk verblijf in Europa, niet aan hunne zoons kunnen geven (').

In 1891 kwam de oprichting eener Rijksinstelling nogmaals ter sprake. In het Voorloopig Verslag over de Indische begrooting van dat jaar werd de opmerking gemaakt dat, indien van uit Indie al ongunstig geadviseerd was omtrent de oprichting eener RijksinsteUing tot opleiding van Oost-Indische ambtenaren, zulks vermoedelijk bet gevolg was van de in Indië gerezen opvatting dat dan tevens het recht om daar examen te doen, zou vervallen, welke opvatting onjuist geacht werd (*).

In antwoord hierop deelde de Minister Mackay mede dat de Indische Regeering niet tegen de oprichting eener Rüksinstelling geadviseerd had omdat zij vreesde dat daarmede het recht om in Indië examen te doen, zou vervallen, maar omdat zij van oordeel was »dat de ambtenaren die de laatste

(*) Besluit van 28'Mei 1889 n'. 11. Het denkbeeld tot opening van een cursus voor voorbereidend universitair onderwijs aan het Gymnasium Willem lil kwam niet tot uitvoering daar de Minister vab Dedem in 1893 verklaarde geen vrijheid te kunnen vinden andermaal een voorstel daartoe te doen. Memorie van Antwoord op Voorloopig Verslag Tweede Kamer Begrooting 1894 blz. 25.

(') Voorloopig Verslag Tweede Kamer Indische Begrooting 1890 blz. 33.

(*) Memorie van Antwoord a. b. blz. 45.

(*) Voorloopig Verslag Tweede Kamer Indische Begrooting 1891 blz. 31.

31

Sluiten