Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kennismaking met Europeesche toestanden geschiedt onder ongunstige omstandigheden.

De 18-jarige jengeling dringt niet door in Westersche sociale en politieke verhoudingen.

Het buitenlandsch verlof kan daartoe beter dienen.

Alleen van algeheele opvoeding in Europa zijn afdoende vruchten te wachten.

Exameneischen in Nederland niet zwaarder dan in I n d i ë

Voor de talen worden in indië hoogere eischen gesteld.

Wanneer ik hiervoren zeg, dat de omstandigheden, waaronder de kennismaking met de Europeesche toestanden zal plaats hebben, ook in ander opzicht niet gunstig zijn te noemen, heb ik het volgende op het oog. Bij de scherpe concurrentie, welke er bijna elk jaar bij het afnemen in Nederland van het zoogenaamd groot-ambtenaarsexamen valt waar te nemen en die eene uitbreiding van de studie tot onverplichte vakken, soms een drietal, noodzaakt, wil de candidaat redehjke zekerheid hebben in zyn doel te zullen slagen nl. voor den Indischen dienst uitgezonden te worden, — welke uitbreiding niet te licht mag worden geteld, omdat zij alleen de veel eischende studie van talen kan betreffen, — is een studietijd van twee, hoogstens drie jaren, welke mijn ambtgenoot in overweging geeft toe te staan, niet in die mate ruim te achten, dat op eene vruchtbare bemoeiing met andere zaken mag worden gerekend. De candidaat, door die mededinging tot eene uiterste krachtsinspanning met betrekking tot zijn studiën aangespoord, zal den tijd van zijn verblijf in Nederland alzoo nagenoeg geheel moeten verdeelen tusschen zyn studievertrek en de coUeges; en zullen de door hem dagelijks opgedaan wordende, blijvende, indrukken zich nagenoeg alleen bepalen tot hetgeen hij in zijne naaste omgeving opmerkt. Slechts de hoogst enkele malen, dat hij zich eehigen tijd tot ontspanning kan veroorlooven, kan hij zijn veld van waarneming uitbreiden, Doch de indrukken, die hij dan zal opdoen, kunnen wegens de zeldzaamheid der gelegenheid niet dan van voorbijgaanden aard zijn en bedoeld veld zal zich dan ook lot een kleinen kring moeten beperken, door den weinigen tyd, welken lüj zich gunnen kan.

De overdreven verwachtingeu, die mijn ambtgenoot meent van den maatregel te mogen koesteren, sprmgen ook in het oog, waar hij den achttienjarigen jongeling zooveel ontwikkeling toeschryfl, dat hij een doordringing van dezen in de sociale en politieke verhoudingen van Europa denkbaar acht. Zoo in dit opzicht in de kennis van den adspirant-besluursambtenaar in deze gewesten een leemte valt te conslaleeren, kan m. i. een aanvulling daarvan aUeen worden verwacht bij den tot man geworden ambtenaar, bij wien met zyn rijpe ontwikkeling een meer open oog voor dergelijke aangelegenheden mag worden verwacht dan bij den pas aan de kinderschoenen ontwassen jongeling. De verloven, met hunnen ruimen schat vau beschikbaren tijd, leeneu zich ook beter voor waarneming en studiën in bedoelde richting dan de tyd, in Nederland met sludeeren voor het examen doorgebracht. Up den leeftijd, waarop de Indische ambtenaar in den regel voor de eerste maal van het hem toegekend recht op buitenlandsch verlof gebruik maakt, is hel tijdperk van vatbaarheid nog niet afgesloten, en ernst gewis iu groolere male aanwezig, dan by den jongeling. Die leeftijd is ongetwyfeld ook meer geschikt om »de instellingen, die aan ons vaderland •eene eereplaats in de geschiedenis der beschaving doen innemen", op hare juiste waaide te leeren schatten; «ook voor eene goede appreciatie der verhoudingen in zake godsdienst, onderwijs, rechtspleging".

Hoewel voorstander van eene opvoeding in Nederland, ben ik evenwel van oordeel, dat de voordeelen daarvan op de wijze, als door mijnen

ambtgenoot aangegeven is, slechts in zeer geringe mate zunen woraen verkregen. AUeen een algeheele opvoeding in Europa kan m. i. afdoende vruchten afwerpen.

« 2. Met betrekking tot wat mijn ambtgenoot het practische gedeelte van de quaestie noemt, voert hij een drietal bezwaren aan.

Wat het eerste aangaat, heb ik de volle overtuiging, dat Uwe Excellentie na het lezen van hetgeen daaromtrent hieronder volgt, wel tot de erkentenis zal komen, dat mijn ambtgenoot ook op dat punt zich aan overdrijving schuldig maakt.

Vooreerst heeft hij uit het oog verloren, dat in Nederland tegenover den grooten stroom van candidaten staat eene tweemalen grootere gelegenheid om te kunnen slagen, dan in Indië. De mate van onwillekeurige opvoering van exameneischen aldaar kan dus niet zoo groot zijn als hij zich voorstelt.

Verder is het van algemeene bekendheid, dat ook in Indië de mededinging dikwijls zeer scherp is geweest wegens het overgroot aantal candidaten, dat zich voor het examen aanmeldde, terwijl de kansen op eene plaatsing gering waren.

Dat in Nederland vele malen het getal der candidaten nietovergroot was le noemen, heefl de ondervinding dikwijls geleerd, üm my maar lot den jongsten lijd te bepalen: in 1890 en 1891 werd de uitzending uit Nederland verzocht van respectievelijk 24 en 28 adspiraut-ambtenaren. Niet meer dan 12 en 22 echter werden verkregen, terwijl in het laatste tekort nog lot een drietal plaatsen kon worden voorzien uit de in 1891 in Indië geëxamineerden. Die tekorten duiden genoegzaam aan, dat in de jaren 1890 en 1891 het aantal der candidaten in Nederland verre van overgroot te noemen was, terwijl er zeker van eene opvoering der exameneischen aldaar in die jaren geene sprake is geweest.

Trouwens van candidaten, die zich èn in Nederland en in Indië aan hel examen onderwierpen, kan men vernemen, dat men hier in doorslag

m

Sluiten