Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De paedagogische bezwaren niet overwegend.

Financieele bezwaren.

Opleidingskasten der Indische candidaten bij verplichte opleiding in Nederland.

houden, omdat ze voor deze reeds meer of min aan de studie te Batavia verbonden zijn. Het zou daarom van belang zijn geweest eene statistieke aantooning te hebben omtrent de herkomst der leerlingen van de afdeeling B over eenige jaren, welke de Baad geen kans ziet zelfbij te voegen.

Het paedagogische bezwaar geldt echter ook, zij het dan in mindere mate, voor de buiten Batavia gevestigde ouders, die in den regel op die hoofdplaats meer gelegenheid zullen vinden om hunne kinderen onder opzicht van familieleden of vrienden te plaatsen, dan in het ver verwijderde Delft. Mede zal voor persoonlijke bemoeiing in bijzondere gevallen de gelegenheid te Batavia gunstger zijn.

Be Raad is echter niel geneigd de waarde van dit bezwaar hoog aan te slaan. Voor zoover Hij uit de laatste jaarverslagen van hel middelbaar onderwijs hier te lande heefi kunnen nagaan, moet de leeftijd van hen, die hier in het eindexamen slagen, gemiddeld 19 a 20 jaar zijn, en wie op dien leeftijd nog het dagelyksch ouderlijk toezicht niet missen kan, zal hoogstwaarschijnlijk een paar jaar later in den Staatsdienst weinig op zijne plaats zyn.

Bat te Delft Indische studenten zouden mislukken, is zeker niet tegen te spreken. Ook nu reeds heelt menigeen in dat opzicht biltere ervaring opgedaan. Te Batavia komt dat echter ook voor en aReen eene behoorlijk uitgewerkte vergelijkende statistiek, waarvoor de Raad ue gegevens mist, zou ons in staat kunnen stellen ten opzichte van dit punt het voor en tegen naast elkaar le beschouwen.

In zeker opzicht is het een voordeel, dat de jongelieden, die aan de afdeeling B le Batavia studeeren, als leerlingen worden beschouwd en in de maatschappij niet de plaats van sludenten innemen; ot dit echter aan hunne algemeene vorming bevorderlijk zyn kan, mag met recht betwijfeld worden.

liet financieel bezwaar valt niet te ontkennen, al schijnt het ook moeielijk onder cijfers le brengen te zijn. De Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid meent dat een leerling der afdeeling B te Batavia, die niet bij zijne ouders inwoont, gemiddeld f 150.— 's maands noodig zal hebben en dat men te Delft met minder kan volstaan.

De Directeur van Binnenlandsch Bestuur daarentegen berekeut dat voor Batavia f 1200.— 's jaars voldoende is, terwijl een student te Delft minstens f 1675.— a / 2000.— per jaar noodig hebben zal.

liet is moeiehjk ten deze bepaalde cijfers vast te stellen, maar in het algemeen gelooft de Raad, dat de raming van den Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid het dichtst bij de gemiddelde waarheid zal zyn.

Nu wil de Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid ter tegemoetkoming aan het financieele ongerief, eventueel door de opheffing der afdeeling B te veroorzaken, jaarlijks 10 jongelieden, die hier het eindexamen der hoogere burgerscholen hebben atgelegd, mei eene toelage van / 50.— 's maanus en vrije passage als passagiers der 2de klasse uaar Nederland laten gaan om te Delft voor het groot-ambtenaarsexamen te studeeren, levens wenscht hy voor hen vrijdom van de collegegelden ad ƒ 200.— 's jaars, doch daar het Gouvernement dien vrijdom bij eene gemeente-inslelling niet bedingen kan, zal dit op eene verhoogiug der toelage moeten neerkomen, die dan f 800.— 's jaars bedragen zou.

De Directeur berekent, dat op deze wy'ze, met de passage terug als passagier der 1— klasse na gunstigen aüoop der sludie, elke geslaagde candidaat der Regeering zou le staan komen op ƒ 2975.—, terwyl die prys bij de afdeeling B van het Gymnasium Willem III f 3300.— bedraagt, eene som die tot / 4800.— stygen kan.

In deze berekening is eene belangryke fout, daarin bestaande, dat de Directeur den cursus te Delft op twee jaren stelt, terwyl die in het vorige jaar op 3 jaren bepaald is geworden. Bij bet herstellen dier fout acht de Baad het wenschehjk de berekening eeuigszins anders in te richten, namelijk niet te nemen het bedrag, waarop iedere leerling der afdeeling B der llegeering te staan komt, omdat dit nog al variabel kan zijn, maar bever de jaarlyksche kosten der afdeeling te nemen, die, hoewel ook aan verandering onderhevig, toch eenigszins constanter zijn.

Aan de afdeeling zijn vier leeraren geplaatst, wier bezoldigingen van f 550.— tot f 850.— 's maands loopen. Als gemiddeld mag men dus ƒ 700.— aannemen, wat per jaar ƒ 700 X 4 X 12 = / 33600.— geeft. Stel voor kosten van verloven, pensioenen enz. nog f 2400.— 'sjaars, wat zeker niet veel is, dan zyn de kosten f 36000.— 'sjaars en over dit bedrag, zou voor toelagen enz. in bovenstaanden zin kunnen beschikt worden (').

Stel nu dat, gelijk de Directeur van Onderwy's, Eeredienst en Nyverheid aangeeft, jaarlyks 10 jongelieden naar Nederland gaan, dan zal men, by een cursus van 3 jaren er aldaar voortdurend 30 hebben, terwyl men

(*) Sedert Januari 1888 treedt een der ambtenaren voor de beoefening der Indische talen als tijdelijk leeraar in de Javaansche taal op onder het genot eener toelage van f 150.— 's maands, waardoor het totaal cijfer van f 36000.— wordt gereduceerd tot f 29400.—,

Sluiten