Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te treden. Dat zij, die eene inrichting van middelbaar onderwijs ten einde toe hebben afgeloopen, geen voldoende algemeene ontwikkeling zouden bezitten, kan niet worden aangenomen. Ongetwijfeld is het een voordeel, niet alleen voor Indo-Europeesche jongelieden maar ook voor alle anderen, voordat zij in het maatschappelijk leven treden, een veelzijdige opleiding le hebben gehad, maar voor allen is dat nu eenmaal niet in dezelfde male mogelijk en de velen, die baar niel in eenigszins ruime mate gehad hebben, kunnen niel gezegd worden daardoor onDe resultaten van afdeeling B zijn alleszins voldoende en voldoende toegerust de maatschappij iu te treden. De vruchten, die de

hare opheffing zou onbillijk zijn tegenover de Indische afaeeliu8 voor ^ laud- e° volkenkunde van het Gymnasium Wiiiemin

t h I, alwerpt, zijn alleszins voldoende en hare ophelhng zou eene onbillijkheid

........—..urr..j.

Voorloopig verslag Indische Begrooting 1897.

Nadere toelichting van den Minister Bergsma.

Van studiebeurzen geen heil te wachten.

Voorloopig Verslag Indische Begrooting 1899.

zijn tegenover de Indische maatschappij, die op deze inrichting van

onderwijs prijs stelt, blijkens hel gebruik dat er van gemaakt wordt".

Naar aanleiding van een opstel van den Beer van der Kemp in de Vragen des Tijds van Augustus 1896 drongen eenige Kamerledeu in het Voorloopig Verslag over de begrooting van 1697 wederom aan op de opheiling van afdeeling B van het Gymnasium Willem 111. Werd deze afdeeling in stand gehouden, dan zouden die leden het wenschelijk achten aan de meest geschikte leerlingen beurzen te verleenen tot het doen van eene reis naar Europa.

Dit gaf den Minister Bergsma aanleiding om, onder verwijzing naar hetgeen door hem was gezegd bij de begrooting van 1895, op te merken dat indertijd juist naar aanleiding van het advies van den lieer van der Kemp het al of niet wenschelijke van de opheffing van afdeeling B door de Indische Regeering iu ernstige overweging was genomen.

■ De slotsom der overwegingen" — zoo schreef de Minister— «was dat van het denkbeeld werd afgezien, omdat de ophelhng van de afdeeling D voor de ingezetenen van Nederlandsch-Indië een groot ongerief zou zyn, voornamelijk van linancieelenjiard, hetwelk door de Regeering niet dan met groole geldelijke offers in voldoende mate zou kunnen worden, opgeheven. Te recht werd gewezen op tal van mannen, die, hunne ojh leiding in Indië genoten hebbende, hel lot de hoogste rangen in den Staatsdienst gebracht hadden, zoodal eene opleiding in Europa niet zoo noodzakelijk was.

Van het verleenen van studiebeurzen aan de geschikste leerlingen voor het doen van een reis naar Europa, verwacht de ondergeteekende niet veel heil. Uit den aard der zaak zou het verblijf in Europa betrekkelijk slechts korl kunnen zijn, veel te kort om den leerling al de voordeelen eener Opleiding in Europa te doen deelachtig worden, en hem een goed denkbeeld te doen krijgen van de sociale en politieke verhoudingen aldaar. Zoo in dit opzicht in de kennis van jeugdige bestuursambtenaren in de overzeesche gewesten een leemte valt te constateeren, kan naar het den ondergeteekende voorkomt, eeu aanvulling daarvan aReen worden verwacht bij den tot man geworden ambtenaar, bij wien, met zijn rijpe ontwikkeling, een meer open oog voor dergelijke aangelegenheden mag worden verwacht, dan bij den pas aan de kinderschoenen ontwassen jongeling. De verloven, met hun schat van tijd, leenen zich uitstekend tot het opdoen van kennis in die richting".

Naar aanleiding eindelijk van eene opmerking in het

Voorloopig Verslag van de Tweede Kamer over de begrooting van 1899, waarbij de wenschelijkheid van de opheffing van aideeling B van het Gymnasium Willem 111 door sommige leden verdedigd, door anderen bestreden werd, verklaarde de Minister van Koloniën Cremer dat de opleiding van den aanstaanden ambtenaar bij het Binnenlandsch Bestuur bij hem een punt van overleg uitmaakte.

Dit overleg heeft geleid tot het rapport van de door den Minister Cremer ter zake ingestelde commissie, welk rapport thans bij de Indische Regeering in behandeling is.

Sluiten