Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan de benoeming tot ambtenaar voor Nederlandsch-Indtë zijn hier le lande geene geldelijke voordeelen verbonden, zullende de benoemden zich op eigen kosten naar Batavia moeten begeven, zich daartoe inschepende, binnen de I zes maanden na hunne benoeming, hij een langer verwijl wordt de benoeming beschouwd als ingetrokken.

Artikel 8.

Van den dag hunner ontscheping te Batavia zullen de alzoo door ons benoemde ambtenaren als wachtgeld I genieten, die van de twee eerste klassen f 150.— en die van de derde klasse f 100.— 'smaands.

Artikel 9.

De Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-lndie zal aan het departement van koloniën, ter benoeming als ambtenaren kunnen voordragen, personen in Indië aanwezig en zich onderscheidende door goed gedrag en bekwaamheid, met bepaalde aanwijzing der klassen waartoe zij de vereischten bezitten. Zoolang die personen niet door Ons als ambtenaren zijn benoemd, zullen aan hen door den Gouverneur-Generaal geene openbare betrekkingen worden opgedragen aan welke eene bezoldiging van meer dan f 450.— 's maands verbonden is, onverminderd de verpiigling van [ den Gouverneur-Generaal, om bij die voorloopige in dienst stelling in acht te nemen de algemeene beginselen waarop het tegenwoordig besluit rust, en hetgeen nader, in verband tot artikel 4 van hetzelve, door Ons zal worden bepaald.

Artikel 10.

De Gouverneur-Generaal zal in de maand Januari van elk jaar aan het departement van koloniën doen toekomen een algemeen verslag over de behoefte aan ambtenaren van elk der drie klassen. Dit verslag zal ten grondslag [ strekken aan de voordracht, welke Ons eenmaal in het jaar tot het doen van benoemingen zal worden aangeboden.

Artikel 11.

Wij blijven Ons zonder eenige bepaUng voorbehouden de benoeming van den president van het hoog gerechtsI hof van Nederlandsch-Indië.

Artikel 12.

Aan den Gouverneur-Generaal wordt de bevoegdheid gelaten om, waar eene vereeniging van de burgerlijke en militaire machten wenschelijk is, of ingeval van bijzondere verdiensten, aan officieren de tijdelijke waarneming op te dragen van burgerlijke posten.

Artikel 13.

Het tegenwoordig besluit heeft geene achteruitwerkende kracht. Mitsdien zullen als ambtenaren der eerste \ of tweede klasse, al naarmate zij den graad van doctor in de rechten al of niet bezitten, worden beschouwd:

a. alle personen aan welke onder de dusver bestaan hebbende bepalingen, het radikaal van Indisch ambtenaar reeds door Ons is verleend;

b. alle personen voor welke de Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, vóór of op den l,ten Januari 1844 dat radikaal op goede gronden zal aanvragen, mits zij in Nederlandsch-Indië waren aangekomen voor den l"en Juli 1843;

c. alle personen, thans bij het ministerie van koloniën op de sollicitanten lijst aaugeteekend en welke geschikt bevonden wordende, aan Ons ter benoeming zullen worden voorgedragen, wanneer er behoefte aan Oost-Indische ambtenaren ontstaan zal.

Artikel 14.

Voorzooveel de bepalingen van het tegenwoordig besluit betreft, zijn onder de benoeming van ambtenaren niet begrepen: Ingenieurs van den waterstaat, de civiele gebouwen en de mijnen, leeraren van den godsdienst, leden der natuurkundige commissie, onderwijzers in de scholen, constructeurs op 'slands werven, werktuigkundigen, opzieners, conducteurs, ambachtslieden en in het algemeen, alle personen die zich voor eenig bepaald vak of beroep aan den Indischen dienst verbonden hebben; omtrent hen zal bij voortduring worden gehandeld, hetzij volgers de deswege bestaande Ij bepalingen, heizij overeenkomstig de bijzondere voorwaarden waarop zij in dienst treden

Artikel 15.

Alle vroegere bepalingen omtrent het uitzenden van ambtenaren voor den burgerlijken dienst in 's Rijks Oost-Indische bezittingen worden ingetrokken en buiten werking gesteld.

Onze Minister van Koloniën is belast met de uitvoering dezes, enz.

's Gravenhage, den 6den December 1842.

(get.) WILLEM.

36

Sluiten