Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C. Niét alle kleurlingen kunnen onder de landsambtenarcn worden opgenomen. Hel is daarom wenschelijk dat de middelen van bestaan voor 'deze klasse van Ingezetenen, zoovéél dit van de regering afhangt, worden vermenigvuldigd, eh dat hen het Verkrijgen van kundigheden, zooveel mogelijk worde gemakkelijk gemaakt. Daartoe kan strekken:

1°. Eene uitbreiding van hét reeds aangenomen beginsel om de onverzorgde zonen van militairen en andere Europeanen van geringen stand,

op te leiden voor den krijgsdienst door inlijving lig' hët korps pupillen; 2e. liet aanwenden van soortgelijke "middelen om een gedeelte dier kinderen tè plaatsen op 'sLandsvaartuigen, ten einde ze tot zeelieden

te vormen;

3*. het meer en meer verbeteren van hét schoolonderwijs in Nederlandseh-InUiè.

D. Er is veel geredekaveld en geschreven over dë bëwecrdë ongenoegzaamheid dér opvoedingsitirigtingen in Nederlandsch-Indië, en over dé vraag of Ze tot dien graad van volkomenheid moeten worden gebragt. dat aan de ouders het zenden 'naar Nederland van hunne zonen kan worden bespaard. Het is vooral uit dit oogpunt, dat het besluit van 6 December 1842 vinnig is aangevallen, omdat het in den regel eene Europesche opvoeding noodig maakt voor de jongelingen, bestemd tot ambtenaren der 1* en 2e klasse.

In dat twistgeding is, zooals het meermalen gaat, de waarheid opgeofferd geworden aan stelsel én partijzucht. Sedert twee eeuwen toen, zonden de meeste ouders, uit vrije verkiezing, hunne zonen 'ter opvoeding naar Nederland. Zelfs in het tijdvak, toen de benoemingen ën bevorderingen zich niet uitsluitend naar vërdiënstén regelden, en eene Europesche opvoeding 'geen volstrekt vereischte voor den 'ambtenaar was. Naauwelijks werd dat vereischte in sommige gevallen gevorderd of de bepaling' werd uitgekreten als eene wreede nieuwigheid. Intusschen was daarin niets nieuws dan dat zij eene vrijwillige daad maakte tot eene stellige verplichting. Schijnt dit niet te bewijzen, dat het zenden der kinderen naar Nederland, niet de eigenlijke grief der klagendën is? Zou die grief niet veeleer gelegen zijn in de vrees, dat bekwaamheden van eenen meer dan gewonen stempel voortaan zullen worden gevorderd om in 's Lands dienst te kunnen opklimmen en dat de Indische ambten zullen ophouden, hët onbetwist erfdeel te zijn der zonën van degenén, die zich aldaar hebben nedergezet? Deze vrees schijnt het Shiboleth te zijn van de ondervonden oppositie aan welke het nepotisme gretig de hand geboden heeft. Zoo verklaren zich die treffende schilderingen van de scheiding van ouders en kinderen, waardoor men gepoogd heeft de maatregelen der regering algemeen gebaat te maken! Zoo verklaart het zich waarom hët toevallig Overlijden eener moeder, kort na het vertrek van haren zoon naar Nederland, met harlstogtelijke kleuren is afgemaald geworden om den indruk te verwekken, 'dat tiet besluit Van 6 December 1842 niet veel heter is dan eene Draconische Wel. Daaróm is den inlandschen kinderen ingeprent geworden, om te klagen over Verguizing en over de miskenning Van regten, waarvan zij hét bestaan vroeger niet hadden vermoed (').

Daarom betoonde het openbaar gezag in Indië zich vijandig jegens de Delftsche Akademie en geneigd om eëne tegën die Akademie gerigle manifestatie te ondersteunen. Dit 'allés, men herhaalt het, bad geen ander doel dan om de Indische 'dienst te doen worden de pons asinorum van alle in Indië, uit Europeanen of hunne afstammelingen geboren kinderen.

Geenszins wordt het harde der veeljarige scheiding van ouders eh kinderen ontkend, geenszins wordt de voortreffelijkheid wedersproken der ouderlijke opvoeding in tegenoverstelling van die, welke door vreemden gegeven wordt. Haar, bij het minste onderzoek blijkt, waarom noch het een, noch het ander, voor de regering een genoegzame grond is, om van stelsel te veranderen.

Het bloote verblijf in de ouderlijke woning is geenszins huisselijke opvoeding. Deze bestaat alleen in die ouderlijke woningen waar zij als hoofdzaak wordt beschouwd, dat wil zeggen, waar zij het voornaam doel der gansche huisselijke inrigting is, en waar de ouders zich bijna geheel aan dat doel kunnen en willen wijden. Dit nu is in de meeste ouderlijke woningen het geval niet en het allerminst in Indië. Daar toch bestaan in bijna alle huizen bijkomende omstandigheden, die de opvoeding der kinderen op den achtergrond schuiven.

De vader is den ganschen dag afwezig in zijne beroepsbezigheden, de moeder is slechts zelden in staat om zijne plaats in te nemen; huisselijke Godsdienstoefeningen zyn niet algemeen, ja behooren tot de uitzonderingen, het gansche leven heeft een zinnelijk karakter, de inrigting van het huishouden levert weinig leerzaams voor de ontwikkeling der kinderen op; nergens ziet het kind een voorbeeld van groote inspanning en aanhoudende arbeidzaamheid; het dolce far niénte wordt stilzwijgend aan het kind gepredikt door schier al wat hem omringt; — de bedienden zijn talrijk en elk hunner verrigt zijn ligte taak als ware zij centner zwaar; zij leeren aan de kinderen weinig, dat zedelijk goed, veel dat zedelijk kwaad is, met een woord, de naam van huisselijke opvoeding is slechts zelden toepasselijk op het leven hetwelk het Indisch kind leidt in het ouderlijke huis. Ünder deze omstandigheden levert eene vreemde opvoedingsinrigting de eenige kans op, om van het kind een nuttig lid der Maatschappij le maken; maar dan behoort die inrigting le beantwoorden aan de beschrijving onlangs door eenen opvoeder van rijpe ervaring en erkende bekwaamheid van een opvoedings instituut gegeven ('). Zulke inrigtingen nu zijn onmogelijk onder het afmattende Indische luchtgestel en in de nabijheid der ouderlijke woning. Elke kortere of langere vacantie, zou de indrukken door het opvoedingsgesticht te weeg gebragt, verzwakken of uitwisschen. De scheiding van ouders en kinderen is dan ook geen gevolg van de laakbare onverschilligheid of van de wreede bepalingen der regering, maar is eene onvermijdelijke nasleep van hét koloniale leven. Sedert twee eeuwen heeft ieder die zich naar Indië begaf geweten, dat wanneer hij daar zonen kreeg en hen eene goede opvoeding wilde geven, eene scheiding van eenige jaren zou moeten plaats hebben. De vaders kozen desniettemin die bestemming, zij déden het vrijwillig. De eigenaardige gevolgen dier keuze, kunnen niet worden gemaakt tot punten van beschuldiging tegen het gezag.

Er zijn in de koloniën kinderen die uit gebrek aan geldelijke middelen niet naar Europa kunnen worden gezonden, en voor Wie eene Indische opvoeding, met al hare gebreken, het eenig alternatief is. Deze kinderen mag de Regering niet uit het oog verliezen. Zij moet de bpvoedingsinrigtingen voor dezen bestemd, zooveel doenlijk volmaken. Dit is een pligt waaraan zij zich niet mag onttrekken en die geheel ligt in hare roeping. Maar zij is volkomen bevoegd en ontegenzeggelijk verpligt om in hare organieke wetten te doen blijken van de beslissende voorkeur, die zij. voor het besturen der aan haar gezag onderworpen vólken, geeft aan de wijze van opvoeding, welke de meeste kansen oplevert, voor die overwegende bekwaamheid, die ruime verstandsontwikkeling, de fijne beschaving, dien zuiveren smaak, dat levendig gevoel voor het schoone en goede en die veerkracht van ziel en ligchaam, welke steeds te regt, beschouwd zijn als de voorname bestanddeelen van hetgeen men onze zedelijke meerderheid noemt.

Er is nog een ander gezigtspunt, hetwelk hier vermelding verdient.

Vonden niet dagelijks de ongerijmdste stellingen hare verdedigers, men zou zich moeten verwonderen, dat in het openbaar de leer gepredikt wordt, dat het opvoeden in Nederland van de tot ambtenaren bestemde Indische kréolen, onnoodig is uit een staatkundig oogpunt. Het eigen belang poogt hier de stem van het algemeene belang te smoren en bedient zich daartoe van spatiieuse redenen, geput uit de school van hët ptiilantropisché liberalismus.

Het is eene onbetwistbare waarheid, dat een gerekt verblijf in de overzeesche bezittingen, dë gehechtheid aan het moederland verzwakt. Is dat nu bij de Ëoropeërs het geval, hoe veel meer bij hunne daar geboren afstammelingen!

Nederland heeft in Indië behoefte, niét slechts aan bekwame administrateuren en 'reglsgeleërdën, maar ook aan mannen, vervuld met warme gehechtheid aan den voorvaderlijken grond, mannen in wier handel en wandel onophoudelijk de begeerte doorstraalt, om door een edel regtvaardig en kiesch gedrag, den Inlanders een hoog denkbeeld le geven van hunne overheerschers. De werktuigelijke attributen der ambten zijn beschreven in algemeene of bijzondere instrucliën. Maar het hangt van den uitvoerder af, om aan dién dooden letter dynamische kracht te géven. Deze kracht is iu de stelling, waarin, Wij ons in Indië bevinden, van hët hoogste gewigt.

Zal nu, wij vragen het, de ambtenaar die omschreven pligten beseffen en vervullen, wanneer zijne ambtelijke daden niet door Warme vaderlandsliefde worden gekleurd? Die vaderlandsliefde nu, kan hem sléchts in het vaderland worden in dë ziel gegrifd.

(*) Zie bijlage VII van Beschuldiging en veroordeeling etc. van D». W. R. vah Hoëvell. Wij zien daaruit dat hij Masihs, Lutzou en Chambon vermaande om Vergelen én tè Verbeven", «ëné vermaning, éié dë 'daadzaak van mishandeling als bewezen veronderstelt! . (*) Noorthet, huis van opvoeding, door Petrus de Raadt. Amsterdam bij P. N. va» Kampex 1849.

Sluiten