Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geloofd dat niet één ambtenaar in de Buitenbezittingen zal kunnen beweren daar nut gehad te hebben van zijne kennis van het Javaansch, indien hij die bezit dan wel het gemis dier kennis gevoeld te hebben, wanneer hem die ontbreekt.

Evenzoo zal ook wel geen der ambtenaren, die bij het Binnenlandsch Bestuur op Java dienden of nog dienen, kunnen beweren, dat de kennis der Maleische taal hem daar van grooten dienst was of is. Dit is trouwens natuurlijk, want onder de Javanen zijn er slechts zeer weinige zelfs onder de hoofden, die de Maleische taal kennen; allen althans bedienen zich bij voorkeur van het Javaansch. Het Maleisch dat soms zeer ten onrechte laag-Maleisch genoemd wordt, maar beter pasar-, kazerne- of scheeps-Maleisch mocht heeten, al naar gelang van de plaats waar het gesproken wordt, blijft hier natuurlijk buiten beschouwing. Iedere, ook de minst beschaafde, Europeaan, wordt het, zonder eenige voorafgaande studie, binnen weinige maanden na zijne komst op Java voldoende machtig om zich te onderhouden met de Inlanders die er zich van bedienen, als huisbedienden, militairen, zeelieden beambten en dergelijke personen, die veel met Europeanen in aanraking komen. Ondergeteekende heeft trouwens de moeite genomen verscheidene oudambtenaren die hunne opleiding genoten aan de vroegere Delftsche Academie en voldoend eindexamen hadden afgelegd, te vragen, of zij, voor zoover zij hunne ambtelijke loopbaan op Java hadden afgelegd, zich nog bekwaam gevoelden tot het voeren eener correspondentie in het Maleisch en omgekeerd of zij, die steeds op de Buitenbezittingen gediend hadden nog voldoende Javaansch kenden om zonder nadere voorbereiding een Javaansch proza-stuk in het Nederlandsch te vertalen en eenige eenvoudige Nederlandsche volzinnen in het Javaansch over te zetten. Van geen hunner werd een in alle opzichten bevestigend antwoord ontvangen.

Een en ander bewijst toch wel dat ambtenaren op Java het Maleisch niel dringend noodig hebben en op de Buitenbezittingen het Javaansch evenmin.

Men zou nu kunnen tegenwerpen dat het in hel belang eener voortgezette vergelijkende taalstudie toch voor beide categorieën van ambtenaren zeer noodig zou zijn dat zij van beide hoofdtalen van den Indischen Archipel voldoende kennis hebben.

Dit moge volmaakt waar zijn, maar voor taalstudiën worden de bestuursambtenaren niet uitgezonden. Zijn er onder hen die zich tot eene studie ook van die talen, welke zij voor hunnen dienst als ambtenaar niet direct noodig hebben, aangetrokken gevoelen, ieder Chef en zeker niet het minst het Nederlandsen-Indisch Gouvernement zal 't apprecieeren en hen voor die studie zooveel mogelijk tijd en gelegenheid bezorgen, maar voor den dienst zeiven, voor de ambtenaarspraktijk, kan de besturende ambtenaar op Java volstaan met kennis van het Javaansch, die op de Buitenbezittingen van het Maleisch.

Een der motieven voor de noodzakelijkheid om èn Javaansch èn Maleisch voor het groot-ambtenaarsexamen als verplichte vakken aan te nemen, was bij sommige leden der Commissie juist de meening dat de Regeering over alle ambtenaren zou moeten kunnen beschikken voor Java en voor de Ruiteubezittingen, zonder dat Zij in hare keuze beperkt behoefde te worden door dat de ambtenaar, op wien overigens haar keuze voor eenige betrekking op Java of op de Ruitenbezittingen vallen zoude ongeschikt moest geacht worden wegens onvoldoende of geen kennis van Maleisch of Javaansch.

Maar juist dit acht ondergeteekende geheel verkeerd. De Régeering moest nooit ambtenaren, die lang op Java dienden verplaatsen naar de Ruitenbezittingen en omgekeerd. Nog verkeerder acht hij het wat ook is voorgekomen, dat jonge ambtenaren, die bij het groot-ambtenaarsexamen Maleisch als verplicht vak hadden gekozen, toch op Java werden geplaatst, hoewel zij geen examen in het Javaansch hadden gedaan of althans daarin niet hadden voldaan, terwijl hij ook, ofschoon bij uitzondering, op de Buitenbezittingen, onmiddellijk na aankomst uit Nederland jeugdige ambtenaren heeft zien plaatsen, die in het Javaansch examen met voldoenden uitslag hadden afgelegd.

»De taal is gansch het volk". Juist, en omdat de Javaansche taal, hoewel stamverwant zoozeer verschilt van de Maleische, verschilt ook de Javaan en zijne huishouding zooveel van den Maleijer der Buitenbezittingen en de zijne. -Alleen die de taal kent" zijde de subcommissie voor het ontwerpen van het schema der voorstellen aan den Minister van Koloniën zeer terecht, »kan doordringen in de eigendommelijkheden van het volk dat die taal spreekt, kan dat volk •leeren begrijpen, en het is daarom dat wij aan eene voldoende kennis van de inheemsche talen groote waarde hechlen".

Het is ook juist daarom dat ondergeteekende daaraan zóó groote waarde hecht dat hij wenscht den ambtenaar niet met de studie eener taal, die hij in de praktijk niet noodig heeft, laslig te vaUlen en te bezwaren, maar hem al zijnen tijd, al zijne krachten te laten voor de taal die bij noodig zal hebben voor den omgang met het volk dat hij moet besturen.

Er is in meergenoemde vergadering van 24 September jl. nog beweerd, dat het toch reeds voorgekomen was, dat de Kegeering eenen ambtenaar van de Ruitenbezittingen meende noodig te hebben voor het bestuur eener residentie der Vorstenlanden by gebrek aan stof onder de ambtenaren op Java en Madura; maar toegevende dat het voorgekomen is, dat het bestuur over eene residentie der Vorstenlanden eens aan eenen ambtenaar, die tot dusver uilsluitend op de Ruitenbezittingen diende is aangeboden, is het den ondergeteekende toch tevens bekend, dat het der Regeering ook toen niet aan stof ontbroken heeft om onder de ambtenaren op Java the right man voor de Vorstenlanden te vinden. Immers toen de bedoelde ambtenaar der Buitenbezittingen, om reden zijner onbekendheid mei de Javaansche taal verzocht verschoond le blijven voor eene benoeming in de Vorstenlanden, werd terstond onder de hoofden van gewestelijk bestuur op Java eenen man gevonden, die daarna geloond heeft voor de Vorslenlanden als gekuipt te zijn. De Regeering behoeft waarlijk onder de ambtenaren der Buitenbezittingen, die buitendien eene geheel eigen school doorloopen hebben voor den omgang met hoofden en bevolking, geene residenten voor Java te zoeken, en omgekeerd ook niet.

Bij den bureau-ambtenaar kan, wellicht ter Algemeene Secretarie en bij de Departementen van Justitie, Binnenlandsch Bestuur en Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid de kennis zoo van het Javaansch als van het Maleisch gewenscht zijn, bij de overige Departementen komt die kennis zeker zelden of nooit te pas, en zelfs ter Algemeene Secretarie en by de met name genoemde Departementen zullen in den regel wel geene Javaansche of Maleische bescheiden ontvangen worden, of deze zijn reeds van eene Nederlandsche vertaling voorzien.

Sluiten