Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Besprekingen met het bestuur en de ingezetenen der betrokken Inlandsche gemeenten in zake de oprichting eener school.

4. Schoolgebouw en schoolerf.

Is eenmaal met inachtneming van het vorenstaande de oprichting van eene gemeenteschool mogelijk gebleken, dan heeft met de betrokken gemeente of gemeenten ter zake overleg plaats.

Raadpleging der gemeentenaren is te meer noodig, wijl de kosten in hoofdzaak, zoo niet geheel, door hen moeten worden gedragen en rekening valt te houden met desatoestanden en gewoonten, aan welke de organisatie der school zich behoort aan te passen.

In verband met het bepaalde bij artikel 4 van de Inlandsche Gemeenteordonnantie (Staatsblad 1906 No. 83) wordt bovendien gemeenschappelijk overleg tusschen het desabestuur en de kiesgerechtigde ingezetenen bepaaldelijk gevorderd voor de totstandkoming van de hierbedoelde instellingen.

Bij de onder No. 6576 van het Bijblad opgenomen circulaire van den Directeur van Binnenlandsch Bestuur van 24 November 1906 No. 3615 ter toelichting dier ordonnantie werd, tot constateering van door de gemeente genomen beslissingen, op de wenschelijkheid gewezen van het aanleggen van een door het Districtshoofd of eenige andere autoriteit te foliëeren en te parafeeren „Register van desabeslissingen."

Ook bij de oprichting van gemeentescholen, hetzij voor één enkele desa dan wel voor een kring van desa's, zal het noodig zijn zoowel de verplichtingen, welke de ingezetenen van iedere desa op zich hebben genomen wat aangaat de oprichting en de instandhouding der instelling als de regelingen, welke met betrekking tot het gebruik der school als anderszins voor de gemeenten onderling zullen gelden, in bedoeld register te doen inschrijven.

Ligt het dus aan den eenen kant op den weg der ambtenaren, om de bevolking te wijzen op het nut van onderwijs voor hare kinderen en eventueel daartegen bestaande vooroordeelen te weerleggen, aan den anderen kant moet worden vermeden bij de bevolking den indruk te vestigen, alsof de oprichting der school een last ware van hoogerhand. De school moet van den aanvang af het karakter dragen van eene aan de gemeente toebe-

hoorende, door haar vrijwillig bekostigde instelling en een gewaardeerd

*bezit, geen opgedrongen lastpost zijn.

De constructie van het schoolgebouw zij eenvoudig en weinig kostbaar, doch duurzaam.

Zooveel mogelijk worden plaatselijk beschikbare of te vervaardigen materialen gebezigd. In de behoefte aan houtwerken voor schoolbouw en aanmaak ~van schoolmeubilair zal echter, waar gelegenheid daartoe bestaat, kunnen worden voorzien door kosteloozen aankap uit 's Lands bosschen, op daartoe strekkende aanvraag van de zijde der bevolking.

Bij schrijven van den Gouvernements-Secretarjs van 31 Mei 1906 No. 1527 is den Directeur van Landbouw verzocht de betrokken ambtenaren van den dienst van het Boschwezen uit te noodigen hunnerzijds al het mogelijke te verrichten, opdat aan bovenbedoelde aanvragen ten spoedigste gevolg worde gegeven.

Men zorge voor voldoende ruimte en voor genoegzame licht- en luchtopeningen.

Waar kalk goedkoop is, worden de wanden gewit.

De vloer worde met ingestampte steenen of met cement verhard dan wel met platgeslagen bamboe belegd.

Op het zindelijk houden van het gebouw en erf worde toegezien.

De school mag niet worden gehouden in het huis van den onderwijzer.

Zoolang de levensvatbaarheid twijfelachtig is, of de voor den bouw benoodigde gelden en materialen niet beschikbaar zijn, kan wellicht van een gehuurd huis of c. q. van de „balé desa" gebruik worden gemaakt.

Het schoolgebouw wordt geplaatst op een afzonderlijk erf, zooveel mogelijk in het centrum gelegen.

Het erf worde beplant met schaduwboomen en andere door hunne bloeiwijze als anderszins aan het geheel een vroolijk aanzien gevende gewassen.

Sluiten