Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hiervan gaan trouwens nog ƒ 60,000 in contanten voor de oprichters af.

Omtrent eene nieuw opgerichte „Bagger maatschappij", in den trant der Alluvia maatschappij, zegt het Mining Journal van den 2oaten Januari 1900 het volgende:

„Het kapitaal der nieuwe maatschappij bedraagt ƒ 240,000; dit is nog al veel voor eene ,,bagger maatschappij."

Evenmin als men een paard bij een kip kan optellen, is het ook mogelijk, om ongelijke zaken met elkaar te vergelijken. Beide staan als dag en nacht tegen over elkaar, d. w. z. indien het weinige wat de prospectus vermeldt, juist is; over vele belangrijke punten wordt daarin niet gesproken.

Omdat op het terrein der „maatschappij Alluvia" automatisch hydraulische bewerkingen van den grond zijn uitgesloten, moeten zij met kostbare elevators, baggermachines etc. werken en omdat het terrein niet bepaald gunstig gelegen is, heeft de „Alluvia Mij" natuurlijk meer geld noodig. Aangezien nu bij de „Lapoe Placer Mij." het terrein zoo hoogst gunstig gelegen is, heeft men dus hier zoo weinig bedrijfskapitaal noodig. *)

De Maatschappij „Alluvia" heeft maatregelen getroffen voor het geval, dat zij tot likwidatie moet overgaan. Voor de aandeelhouders heeft dit evenwel geen waarde, daar er dan toch geen baten te verdeelen zullen zijn.

Bij de Lapoe Placer Maatschappij zijn die maatregelen geheel en al onnoodig. Later zal ik aantoonen dat „verlies" onmogelijk is.

Dit, even als de regeling om de aandeelen in twee series A en B uit te geven, hebben voor de goede gemeente geen waarde.

Een ieder, die aandeelen in eene mijnbouw maatschappij neemt, weet vooruit, dat hij óf zijn geld kwijt is (dit is natuurlijk het geval bij een slechte zaak en kunnen hier-

*) Ik verzoek wel te willen begrijpen, dat ik niets tegen «Alluvia" zeg en volstrekt geen oordeel over het werk der Maatschappij uitspreek, ook niet over de zaak zelve. Daar sta ik buiten.

Sluiten