Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle boeddhistische tempels van Java terug, vooral ook in de vlakte van Pdrambanan en aan de bouwvallen van de tempelgroep van dien naam, die minder licht als boeddhistisch heikend worden.

Aan den voet van de poort (of van de nis) eindigen de lichamen dezer naga's in naar buiten gekeerde mythische monsterkoppen, die op 't eerste gezicht meer aan olifanten dan aan slangachtige dieren doen denken, vooral omdat de bovenlip steeds of doorgaans een olifantsslurf vormt, die omgekruld op 't voorhoofd ligt. Daarom zagen Wilhelm von Humboldt en, na hem, alle volgende europeesche onderzoekers, ook onze Leemans, in die gedrochten olifantskoppen, zonder te bemerken dat die in de zijposten der poorten en nissen in slangenlichamen overgingen, en zonder dus ook 't verband te zien tusschen die koppen en den monsterkop boven de poorten.

Ik zelf heb die dwaling jaren lang gedeeld, en haar zelfs aanvankelijk nog tegenover den koning van Siam verdedigd, den eerste die haar bestreed, tot dat Z. M. mij ten slotte door logische bewijsvoering overtuigde (1).

De naga vertegenwoordigt een aan 't Boeddhisme vijandige macht, en 't monster dat die macht bedwingt, door den vijand den staart te vermorzelen, zou volgens Z. M. Raiioe moeten zijn, 't monster dat ook de zon gedurende elke eklips tracht te verslinden.

Toen ik echter onlangs deze verklaring van den koninklijken Boeddhist aan de leden der Mission archeologique de V IndoChine mededeelde, meende de direkteur dezer missie, de hoogleeraar J. Finot, een man van erkend gezag op indo- en archaeologisch gebied (ook volgens Kern), dat de monsterkop niet Rahoe maar Gauoeda. den bekenden vijand en verdelger der naga's, voorstelde. En toen ik daartegen aanvoerde dat ik dien wdhana. 't rijdier of den zonnearend van den god Wish-

(1) Zie mijn opstel in 't Tijdschrift v. Ind. Taal-, Land- cn l 'olkenk. van 1896, nEcn Boeddhistenkoning op den Bdraboedoer

Sluiten