Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Een-en-tachtigste beeldwerk (161 W. L., hoek zeven. 1) leert ons hoe SoEDjaTa, de dochter van een dorpshoofd, den van uitputting haast bezwijkenden boeteling verzorgt en met voedzame melk laaft en versterkt.

Een ongeveer gelijke voorstelling zien we op 't vier-en-tachtigste beeld (167 W. L., hoek zeven, 4). Zulke herhalingen komen

meer voor, hoewel zeldzaam.

Eindelijk heeft Sjükja Moeni zijn doel bereikt. Alle kennis is zijn deel geworden en de waarheid zijn kracht. Hij is gerijpt om als Boeddha, als verlichte, als 't ontwakende hemellicht in de door de duisternis gedrukte wereld op te treden, de ware leer, de dharma, ie prediken en de menschen van zonde te verlossen.

Op een hoop biezen onder een vijgeboom gezeten, die daarna als de boom der kennis, de bodhidroema, geheiligd is geworden, strijdt hij zijn laatsten strijd met den Booze, die, ook nu weder overwonnen, voor altijd wijkt.

Wij zien op 't vier-en-negentigste beeld (187 W. L.. t eerste na den eersten hoek na de westelijke trap) hoe de wapens van valsche goden en demons als onschadelijke bloemen op hem neervallen. Een tweede grootere lichtschijf spreekt wellicht van zijn klimmende kracht, de heerlijkheid der opgaande zon m

vollen stralenluister.

't Volgende beeld (189 W. L., 1 na den tweeden hoek) verhaalt ons nog hoe Mura hem door de aanlokkelijkheden zijner dochters, de apsarasas (de rozige morgennevels) te bedwingen zoekt. Maar al neemt ook éen van haar de gedaante van Jashodaru, Mhoela mata (de moeder van R&hoela, SiDDHaRTHAS zoon) aan, hij leeft voortaan een leven van liefde die alle schepselen zegenend omvat.

Predikend en geëerd trekt hij naar Banaras (Benares,) zooals de laatste beelden van de noordzijde ons leeren.

Op 't honderdzeventiende (233 W. L, achtste hoek, 1) verkondigt hij de waarheid aan de vijf teruggevonden leerlingen, nu voor altijd zijn trouwe volgers en eerste apostelen.

Sluiten