Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Heer als koning van een gelukkig volk. Vijf jaksha's (demonen), door Koewera, den onderwereldschen god van den rijkdom, uit diens rijk gebannen, komen hem verzoeken, om hem ten val te brengen. Zij vragen hem een goed maal, maar weigeren t beste dat de koning hun laat voorzetten en eischen menschenbloed en menschenvleesch.

De Heer kan hen niet onbevredigd laten gaan. maar evenmin éen zijner onderdanen opofferen en biedt hun dus zijn eigen bloed en vleesch aan, ondanks den tegenstand van zijn ministers en hovelinsren.

De demonen bekeeren zich en erkennen 's konings heiligheid, en deze vermaant hen nu voortaan 't kwade te laten en 't goede te doen (ook o. a. geen bedwelmenden drank te drinken).

Indra komt uit den hemel neer om den Heer te loven en zijn wonden te genezen.

Op 18 en 't hoekbeeld ontmoeten de jaksha's een herder, die hun de deugden van den koning roemt. Op 1 en '2 zien wij hen bij den koning.

De vijf jaksha's werden later als menschen herboren en waren de eerste leerlingen, dien den Sjèikja moeni volgden en weder verlieten, maar om ten slotte zich weder bij den Boeddha aan te sluiten als diens eerste apostelen (i).

Vierde hoek. 3, 4 en 5 (W. L.. 37, 38 en 39).

Nu was de latere Boeddha de zoon en erfprins van den koning Samdjaja. Eens. zijn witten olifant berijdende, ontmoette hij eenige brahmanen, die namens hun koning den olifant van hem verlangden. De prins stijgt af en geeft hun 't edele dier.

Om die dwaze daad verbant zijn vader hem, op aandrang der hovelingen. Hij bestijgt zijn vorstelijken wagen met Madri. zijn vrouw, en hun beide kinderen, en reist af. Weer komen enkele brahmanen hem om zijn prachtige wagenpaarden vragen. De prins geeft ze hun en spant zich zelf vóór 't voertuig. Een

(!) Zie boven bladzij 31 en 32.

Sluiten