Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vierde hoek, 2, 3 en 5 (W. L.. 129, 130 en 132).

Als een sterke buf/elstier in 't oerwoud levend, werd de latere Boeddha voortdurend door een aap geplaagd die. de onuitputtelijke goedheid van den geweldige tartend, hem telkens in den weg komt.

Een jdksha vermaant den stier om minder lijdzaam te zijn en den belager te vertrappen of neer te stooten, maar de sterke antwoordt, dat de aap niet anders zijn kan, dan hij is. en dat men hem dus verdragen moet. Geen beter oefening in lijdzaamheid dan 't geduldig ondergaan van een slechte bejegening, en daardoor alleen kan men hopen den belager tot nadenken en tot inkeer te brengen.

Op 2 zien we den stier met den aap; op 3 ook den jaksha. en op 5 den stier, een rede tot den demon houden, en dezen bewegen de deugd te erkennen en te loven (i).

Vierde hoek, 6, 7, 8 en 9 (W. L., 133, 134.' 135 en 136). Eens, toen de Heer als een specht in de wildernis leefde, ontmoette hij een leeuw, die onduldbare pijnen leed door een stuk been, dat hem dwars in de keel was blijven steken. De specht hielp hem uit den nood. door een stuk hout in den

geopenden muil te plaatsen en hem dan 't been uit de keel te werken.

Lang daarna trof de specht, uitgehongerd rondvliegend, den leeuw weder aan, smullend van een pas gedooden antiloop.

a ang aarzelen verzoekt hem zijn vroegere redder om een weinig van 't antilopen-vleesch, maar de leeuw vraagt den bedelaar of die zijn leven moede is, en of hij niet reeds"dankbaar genoeg moet zijn, dat hem 't leven gelaten werd. toen

(1) Tegenover bl. 124 van de in 1896 bij Masson te Parijs verschenen uit

din! VM C', 'DIKR S TCambodge-7ava>" vinden wij een goede afbeel-

g van t laatstgenoemde beeldwerk (pl. XXVIII); maar de schrijver die

trouwens beweert dat die geheele reeks niets met den boeddhistische eods

ffinle voorstelt in6''' bÏT^ ^ ^ ^ j°ngen' ^^deemden «indoe voorstelt in aanbidding voor den stier van Sjiwa (den nandü' Trs

SANDIER veroordeelt daarmede zijn werk en . . . zich zelf

Sluiten