Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

p

hij zich vroeger eenmaal in den muil van den vrager gewaagd had? Een leeuw kent geen deernis.

Beschaamd vliegt de specht omhoog en een boschgod stijgt hem na en vraagt hem waarom hij den leeuw de oogen niet uitpikt en zooveel van diens buit neemt, als hem lust? En de voo-el antwoordt met een verheerlijking van de deugd : Wie weldoet vindt in een volgend leven zijn loon, maar wie kwaad met kwaad vergeldt verliest de verdienste van alle deugden.

De god roemt den specht als een heiligen wijze en verdwijnt.

Op 6 is de leeuw in 't bosch en komt de specht tot hem; op 7 krimpt de leeuw ineen van de pijn, en op 8 komt de specht hem helpen. Op 9 is de latere ontmoeting van den hongerenden vogel met den leeuw en zijn prooi afgebeeld.

Van de voorheen tusschen de behandelde beeldwerken geplaatste stukken zijn vele verloren gegaan, andere nog onverklaard gebleven; maar wanneer we bedenken hoe de hier genoemde elkander in dezelfde orde opvolgen als de djataka s in de door Speyer vertaalde Mala. dan kunnen we aannemen dat de hier niet beschreven vroeg er e-levens met de ontbrekende en niet verklaarde beelden verband moeten houden, en dat ook deze reeks een vooraf vastgestelde aoorloopende reeks

geweest moet zijn.

Werkelijk heeft Oldenburg in dezelfde reeks nog andere, maar door Speyer nog niet vertaalde, djataka's aangewezen, en wel:

Na de westelijke trap, 6, 7, 8 en 9 (W. L. 192, 193, 194 en 195).

De Heer als schildpad in zee, neemt de in doodsgevaar verkeerende bemanning van een zinkend schip op zijn rug en draagt die naar den wal, waar hij de uitgehongerden zijn eigen lichaam tot spijs aanbiedt.

Op 6 zien we de schildpad, op 7 't zinkende schip, door haaien en andere visschen omringd; op 8 de schildpad met de

Sluiten