Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schepelingen op zijn rug en op 't vierde beeldwerk de geredden aan den wal en hun redder, die zich als offer geven wil.

Aan den voorwand der vijfde en hoogste galerij meent Olden-

burg, in 't tweede beeld na de zwïdertrap (W. L.. CCCLXXXIX)

den Heer te herkennen als 't paard Baiüha. dat reizigers over de zee voert.

Maar in de benedenreeks aan den achterwand der eerste galerij wijst hij nog op:

3 na de oostertrap en 4 na den eersten hoek, als een voorstelling van 't gesprek van koning Dakshina Pantj&la met den betooverden naga Djanmatjitra ; diens bezwering en verlossing door den jager Halaka (de Heer) en de ontvan-st daarna van den jager in 't verblijf van den dankbaren na-a. e naga is, als altijd, kenbaar aan de slangen in zijn haren.

1 na den tweeden hoek (W. L.. 10).

De Kmnari-prinses MANOHARa met een Kinnari (volgens 't beeldwerk een Kinnara) aan 't meer Brahmasabhd

De metgezel van de prinses is afgebeeld als een zeer vermagerde man. die als een boeteling onder een boom zit aan den meeroever.

Deze djataka vormt een reeks op zich zelf.

Tweede hoek, 2 (W. L. 12).

Prins Soedhana (de Heer) brengt de prinses naar zijn paleis Dezelfde hoek, 4 (W. L„ 16).

De prins neemt afscheid van zijn moeder.

3 van deze reeks blijft onverklaard.

5 (W. L., 18).

De prins ontmoet den god Indra.

6 (W. L. 20).

De koning ('s prinsen vader?) pleegt raad (met wien of wie?) over zijn zoon.

Sluiten