Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aanv. De beoordeeling van de bevoegdheid door den Directeur moet geschieden bij aanvragen voor vennootschappen (zie onder 29) en voor overledenen (zie onder 37). Zie voor boekjes met beperkende bepalingen onder 60 en voor niet-vrijwillig sparende militairen onder 156. In de gevailen dat de bevoegdheid van den aanvrager kan worden beoordeeld door den kantoorchef of diens vervanger, moet de handteekening van den aanvrager onder de quitantie, aanvraag of order van betaling worden voorafgegaan door de vermelding van de hoedanigheid, waarin de aanvrager handelt, terwijl voorts door den kantoorchef of zijn vervanger op het formulier de verklaring wordt gesteld: „Bevoegdheid mij gebleken", welke verklaring hij met zijne handteekening bekrachtigt.

De bevoegdheid van den aanvrager moet, indien zij niet bekend is, blijken uit over te leggen bewijsstukken.

Zoo moet b. v. een vader, voogd (of moeder) een geboorteakte van het kind of eene akte van voogdijschap overleggen, indien ten kantore (b. v. uit het stamregister) niet bekend is, dat zij bevoegd zijn om in die hoedanigheid te handelen. Bij eene volledige invulling van de formulieren I voor de eerste inlagen en inschrijving van die gegevens in het stamregister van het kantoor, zullen de bedoelde bewijsstukken in de meeste gevallen kunnen worden gemist. Voor de bevoegdheden van den vader, voogd (of moeder-voogdes) zie de aanvullende bepalingen onder 28.

INLAGEN.

39. Inlagen in de Postspaarbank kunnen geschieden bij alle kantoren, zoomede bij alle hulpkantoren, welke voor den postspaarbankdienst zijn aangewezen, onverschillig door welk kantoor het spaarbankboekje is uitgegeven; het boekje behoeft daartoe niet te worden overgeschreven.

40. Inlagen mogen geschieden op eigen naam of ten name van een ander; als inlegger wordt beschouwd hij, te wiens name de inlage geschiedt.

Aanv. Door het doen van eene inlage ten name van een ander ontstaat geen burgerrechtelijke verhouding tusschen de Postspaarbank en den persoon, die de inlage doet, maar alleen tusschen de instelling en den inlegger. De persoon, die de inlage heeft gedaan, kan dus geene terugbetaling van het door hem ten name van een ander ingelegde vragen, tenzij hij daartoe als vader, voogd, curator enz. bevoegd is, of eene machtiging van den inlegger overlegt.

41. Iedere inlegger wordt geacht door de enkele daad van inleggen, hetzij deze door hemzelven dan wel door een ander te zijnen name is verricht, zich te hebben onderworpen aan de bepalingen van het Koninklijk besluit van 16 October 1897 No. 27 (Staatsblad No. 296) en aan die, welke ter uitvoering van dat besluit zijn of nader zullen worden vastgesteld.

42. Inlagen (en terugbetalingen) zijn slechts toegestaan in bedragen van ten minste vijf en twintig cent.

i

I

\

Alle kantoren :n de aangewezen hulpkantoren.

)p eigen naam of ten name fan een ander.

Onderwerping

aan de bepalingen»

Minimum bedrag.

Sluiten