Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORSCHRIFTEN TOT UITVOERING (ZIE CIRC. H. ISP. 1907 No. 96, V. Z. N. GEWIJZIGD).

§ I. Ter Directie der Postspaarbank wordt jaarlijks, na de vaststelling van •den in het jaarverslag openbaar te maken staat van ingebrachte en terugbetaalde gelden, een staat opgemaakt van de door de kantoren gedurende het afgeloopen jaar verdiende vergoedingen (form. 19a).

Van dien staat van vergoedingen wordt door den Directeur der Postspaarbank een afschrift gezonden aan den Hoofd-Inspecteur, Chef van den Post- en Telegraafdienst.

§ 2. Aan de kantoren wordt door den Directeur der Postspaarbank, door tusschenkomst van den Hoofd-Inspecteur, eene opgave form. 19ö van de verdiende vergoedingen gezonden.

Voor de kantoren, die met hunne hulp- en bijkantoren de in § 11 der regeling bedoelde minima hebben bereikt, wordt de vorenbedoelde opgave aan de achterzijde voorzien van eene machtiging van den Hoofd-Inspecteur tot in uitgaafstelling van het bedrag.

De kantoren leggen de van deze machtiging voorziene opgaven, na door den kantoorchef voor de ontvangst te zijn geteekend, als bewijsstuk bij den betrokken dagstaat B I over.

§ 3. De kantoren houden aanteekening van het personeel, dat elke maand aan de loketten heeft gezeten, en bepalen, met toepassing van § 1 sub A van de regeling der vergoedingen, het aandeel in de vergoeding, dat aan elk der ambtenaren en beambten van het kantoor, alsmede aan de hulppostcommiezen en het personeel der bijkantoren toekomt.

Die aandeelen worden aangeteekend op register form. IX der dagtotalen, dat maandelijks wordt afgesloten en waarop zooveel mogelijk door eiken deelgerechtigde, als blijk zijner kennisneming, achter het hem toebedeeld bedrag zijn paraaf wordt gesteld.

§ 4. Na elk jaar wordt door den Directeur der Postspaarbank aan den betrokken Departementschef eene kantoorsgewijze opgave toegezonden van de bedragen der in het afgeloopen jaar verdiende vergoedingen, vergezeld van een voorstel tot uitkeering middels eene ordonnantie van betaling afgegeven ten name van den Chef van het Post- en Telegraafkantoor te Weltevrèden.

§ 5. Op de kantoren geschiedt de verdeeling der vergoedingen volgens de maandelijksche aanteekeningen.

Aan hen, die zijn overgeplaatst, kan het verdiende worden nagezonden of desnoods dadelijk bij vertrek worden uitgekeerd op voorschot door den kantoorchef.

§ 6. De vergoeding van ƒ0.50 per duizend gulden, bedoeld bij § 1 lett. B •der regeling, behoudt de kantoorchef voor zich, behoudens eene door den Hoofdinspecteur, Chef van den Post- en Telegraafdienst, te regelen billijke belooning voor het personeel, dat hem met het toezien op den dienst der Postspaarbank, alsmede bij de administratie der gelden heeft bijgestaan.

§ 7. De kantoren vinden bij de machtiging op de achterzijde van form. 19ó, bedoeld in § 2, aangegeven op welke wijze het hun toekomend bedrag moet worden ^verantwoord.

Sluiten