Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo voortgaande, vermeerderen de cellen zich steeds tot zekere grens; zij blijven daarbij of gelijksoortig of worden in vorm en samenstelling min of meer gewijzigd tot eene vrij groote verscheidenheid.

In haar eenvoudigsten vorm bestaan de cellen uit eene stofmassa,

\ b

Fig. 5. Bevruchting en klieving van het zoogdierei: a, eicel met eikern (ek) en binnengedrongen zaadlichaampje , dat nu tot zaadkern (sk) is geworden. Eikern en zaadkern naderen elkander en versmelten tot klievingskern: fk in b. Deze kern breidt zich meer en meer in de lengte uit en deelt zich ten slotte, als in d aangegeven, met de haar omgevende slijmmassa in tweeën.

waaraan men den naam protoplasma geeft met een duidelijke kern, Fig. 6 en 7, en een of meer kernlichaampjes. Verdicht zich het protoplasma aan zijne oppervlakte, zoo

ontstaat daardoor een celwand en door verdere verdichting een celkapsel, Fig. 8. Zoo heeft eene cel den vorm van een blaasje, maar door bijvoeging van meerdere cellen wordt haar vorm aanmerkelijk gewijzigd; dikwijls wordt deze, zooals in de spieren, langgerekt en in dit geval worden zij gewoonlijk vezels geheeten,

Fig- 6' ■••VI

Vooral hier maar ook in andere deelen van het dierlijk lichaam

Fig. 6. Spiervezels uit de maag eener koe: a, de kernen; b, de spitse uiteinden. Vergr. 250.

Sluiten